Prins Pückler: womanizer, artiest en smulpaap

In de Bundeskunsthalle van Bonn is nu een tentoonstelling te zien over het leven van Hermann von Pückler: n Duitse playboy, dandy, bon vivant, smulpaap, wereldreiziger, schrijver, landschapsarchitect en tuin-kunstenaar. 

Pückler

Vorst Pückler in Oosterse Kleding Foto: Bundeskunsthalle Bonn

Prins Hermann von Pückler-Muskau (1785-1871) was een Duitse playboy, dandy, bon vivant, smulpaap, wereldreiziger, schrijver, landschapsarchitect en tuin-kunstenaar. In de Bundeskunsthalle van Bonn is nu een tentoonstelling te zien over het leven van deze zeer bijzondere, talentvolle, authentieke en unieke figuur. Prins Pückler was een duidelijk voorbeeld van wat Engelstaligen een “larger than life” personage zouden noemen. Een originele figuur die zijn eigen wereld vorm gaf zonder na te denken over de gevolgen en zich niet stoorde aan de ‘realiteit’.

Pückler

Pückler IJs. Vermoemd naar deze Duitse vorst Foto: P. Prillevitz

Tegenwoordig is Prins Pückler het meest bekend van het ijsje dat zijn naam draagt. Zelf had hij daar weinig mee te maken. Het dessert werd niet door hemzelf gecreëerd. Dit Pückler ijsje lijkt sterk op het Napolitana ijs dat drie verschillende smaken herbergt tussen een wafeltje en ook bij ons verkocht wordt. Mede omdat Pückler een beter lot verdient dan alleen bekend te zijn vanwege een ijsje, besloot de Bundeskunsthalle een grote expositie in te richten over zijn leven. Aan de hand van 250 objecten wordt uitgelegd waarom deze Duitse prins zo´n uniek en boeiend man was. Want larger than life was hij zeker. Zelfs na zijn dood bleef de prins immers voor opschudding zorgen. Zijn stoffelijk overschot kreeg op Pückler’s eigen verzoek namelijk een zeer bijzondere behandeling waarover later meer.

Culinaire Tafel van Pückler. Bron: wikimedia commons

Culinaire Tafel van Pückler. Bron: wikimedia commons

Nietsnut

Aan het begin van zijn leven leek het er niet bepaald op dat Pückler voorbestemd zou zijn om grootse en bijzondere dingen te creëren en mee te maken. In zijn jeugd was hij namelijk een dagdromer en nietsnut met 12 ambachten en 13 ongelukken. Zijn moeder was pas 15 toen ze hem kreeg en mede vanwege haar jeugdigheid had Pückler geen goed relatie met haar. De band met zijn grootvader was veel beter. Dit heerschap leerde hem de principes van de Verlichting en gaf hem zijn politieke bewustzijn mee (liberaal). In 1801 begon Pückler aan een rechtenstudie maar hier stopte hij mee om een militaire loopbaan te beginnen. Hij trad vervolgens toe tot de cavalerie van Dresden. Ook vocht hij mee in de vrijheidsoorlog tegen Napoleon. Korte tijd was hij gouverneur van het Vlaamse Brugge. Zijn militaire ervaring zou Pückler veel later nog van pas komen. Op 81-jarige leeftijd was hij immers nog actief bij de Pruisische veldtocht tegen Oostenrijk !

Zijn grootste faam verwierf Pückler echter als schrijver, landschapsarchitect en tuin-ontwerper. Zijn park- en tuinontwerpen waren zeer innovatief en behoren tot de hoogtepunten van de 19e eeuwse landschapsarchitectuur in Europa. Schrijven kon hij ook. Zijn boek Briefe eines Verstorbenen (1830-1831) werd tegen alle verwachtingen in een Europese bestseller (hoofdzakelijk in Frankrijk en Engeland). In Duitsland zelf verkocht het boek ook erg goed. Toen het werk korte tijd later in Engeland werd uitgebracht onder de titel Tour of a German Prince (1831–32) veroorzaakte het daar behoorlijk wat ophef. Pückler gaf namelijk een inkijkje in de afgeschermde wereld van de Britse adel en vertelde over de daar gangbare sociale verhoudingen, iets waar de gewone burger toen nog helemaal geen weet van had.

De meeste aandacht gaat in Bonn echter uit naar Pückler als botanisch pionier en geniaal tuinkunstenaar. Met name zijn 3 belangrijkste creaties, de parken Bad Muskau (UNESCO Werelderfgoed), Branitz en Babelsberg staan in de BundesKunsthalle in de schijnwerper. Pückler deed zijn ideeën voor deze tuinen op in Engeland. Hoewel hij geplaagd werd door zeeziekte had hij toch per schip de overtocht naar dit eiland gemaakt en diverse tuinen bezocht, hetgeen hem sterk geïnspireerd had. Zijn parken legde hij dan ook allemaal aan in Britse stijl.

Pücklers tuin

Pücklers tuin op het dak van de Kunsthalle in Bonn Foto: P. Prillevitz

Dit in tegenstelling tot zijn grote Europese concurrent Peter Joseph Lenné, die vooral in Duitse en Franse stijl werkte. Lenné heeft zo’n 300 parken ontworpen waaronder de ZOO van Dresden en het Sanssouci paleis van Frederik de Grote. De concurrentie met Pückler was erg groot en de heren mochten elkaar dan ook niet echt. Pückler heeft zelfs creaties van Lenné die hij in handen kreeg totaal veranderd, zonder respect te tonen voor het werk van zijn voorganger en tegenstrever.

Drone-beelden

In Bonn zijn een groot aantal schilderijen, prenten, objecten en tekeningen te zien, aangevuld met de originele plannen van zijn tuinen plus historische foto’s en veduta’s (gedetailleerd schilderij). Ook krijgt men drone-beelden vanuit de lucht en 3D-animaties van Pückler’s tuinen te zien. Op het dak van de Bundeskunsthalle zijn de tuinen van Pückler zelfs in het echt nagebouwd. (De bomen die daar staan, stemmen genetisch helemaal overeen met de originele exemplaren van de prins).

Bezoekers lopen dus middenin Bonn, op grote hoogte, tussen bloemen, planten en bomen zoals de Duitse vorst ze voor ogen heeft gehad. Zelfs zijn paarse bloemen, citroenstruiken, espen, beuken, eiken , tulpen, robinia’s en narcissen ontbreken hier niet. Het bijbehorende bloementapijt op het dak bestaat uit niet minder dan 42.000 vroegbloeiers. Men stapt er niets vermoedend de 19e eeuwse wereld van Pückler binnen. Een bijzondere belevenis.

Vorst Pückler was een zeer avontuurlijk, fantasievol, dapper en rigoureus man. Zijn tuinen en parken moesten echte totaalkunstwerken worden (Gesamtkunstwerken). Vooral het raakvlak tussen natuur en cultuur fascineerde Pückler mateloos. Tuinen moesten volgens de prins begaanbare ‘beelden’-galerijen zijn waarbij de natuur tot kunstwerk werd gemaakt (geïdealiseerde natuur). De bezoekers van zijn parken dienden hier steeds weer door verrast te worden. Om zijn doel te bereiken vlakte Pückler heuvels af, leidde rivieren om, liet bomen verplaatsen en zette echte kluizenaars en andere mensen als decorstuk op zijn erf. Ook maakte hij gebruik van slimme weg- en waterbouw-systemen, uitzichtpunten en stoommachines. Hoewel alles zeer gekunsteld, bedacht en artificieel was in zijn tuinen, moest het wel zo natuurlijk mogelijk lijken, vond Pückler. Zijn parken dienden er uit te zien als landschapsschilderijen. Op een formidabele manier wist hij daarbij een juiste balans tussen techniek en esthetiek te vinden. Pückler was ook een idealistisch man. Zo wilde hij oprecht van zijn tuinen een Gesamtkuntwerk maken dat voor iedereen toegankelijk was om op die manier de parken mooier en aangenamer te maken voor het volk.

Wereldreiziger

Pückler was daarnaast een beroemde wereldreiziger. Hoewel hij zeer gevarieerde dingen deed in zijn leven voelde hij zich naar eigen zeggen toch het gelukkigst als reiziger. Op zoek naar avontuur bezocht hij tijdens een 5 jaar durende reis door Afrika o.a. de Maghreb-landen Soedan en Egypte. Van deze Oriënt-reis nam hij o.a. een grote oester-schelp mee die men kan zien op de expositie in de Kunsthalle. Op doorreis naar Afrika bezocht hij ook Griekenland, maar dat land stelde hem teleur. Afrika vond hij wel fascinerend. Pückler noemde het zelfs ‘mijn continent’. Hij schreef vijf boeken over deze reis, bestaande uit 17 volumes. De Egyptische piramides vond hij ook de moeite waard, maar de exotische landschappen en tuinen van de Oriënt bekoorden hem toch het meest, net als de drukke markten en onoverzichtelijke straten die hij in Caïro en Alexandrië zag. De zeer energieke prins was ook te gast bij de Ottomaanse onderkoning Mehmet Ali, met wie hij de Nijl op voer. Hierover zei hij later dat deze reis hem naar het einde van de ‘beschaafde wereld’ had gebracht.
In 1837 kocht hij tijdens een stop in Caïro een 14-jarige slavin uit Abbessynie (Ethiopië). Dit meisje dat de naam Mahbuba droeg, nam hij zelfs mee terug naar Europa, tegen alle conventies van zijn tijd in. Pückler reisde met haar o.a. naar Turkije (Anatolië), Griekenland en Oostenrijk. In Wenen presenteerde hij haar aan de Jetset. Zeer snel na haar aankomst bij Pückler thuis stierf Mahbuba echter aan tuberculose (1840). Later zei Pückler dat Mahbuba degene was waarvan hij het allermeest had gehouden in zijn leven. Wellicht was Pückler’s vrouw Lucie daarom zo ontstemd toen haar man met deze slavin thuiskwam. De uitspraak van Pückler zegt wel wat over zijn liefde voor Mahbuba. De prins stond er immers om bekend een groot womanizer te zijn die veel vrouwen had gehad en er niet voor terugdeinsde om talloze vrouwen te versieren met een span waarin herten liepen in plaats van paarden. Lucie bleef echter altijd Pückler ’s grote steun en werkte met hem samen bij al zijn projecten.

Mahbuba

Mahbuba de slavin van vorst Pückler Foto: Wikipedia

Bon vivant

Pückler was ook een culinaire bon vivant die thuis grote diners en banketten liet serveren. In Bonn kan men zien hoe dat er toen uit zag. Op werkelijk niets is bespaard en overal ziet men prachtig servies en heerlijke gerechten staan in de nagebouwde eetzaal van Pückler paleis. Boven de tafels hingen kristallen kroonluchters en op tafel lagen goud en zilver bestek. Exotische vruchten maakten het geheel compleet. Interessant feit is dat Pückler een maaltijd nooit opnieuw wilde nuttigen. Zijn secretaris en hoofd huishouding, de lilliputter Billy Masser, hield vanwege dit doel precies bij wat er allemaal gegeten werd. Vergissen werd hierdoor onmogelijk.

Pückler’s gigantische uitgaven aan reizen, parken, paleizen, diners en vrouwen brachten hem financieel uiteindelijk wel ten gronde. Zijn familievermogen en de inkomsten van zijn boeken waren niet voldoende om zijn schulden te dekken. Vooral zijn parken bleken veel te duur. Daarom was hij gedwongen om zijn vrije heerlijkheid Muskau voor het toen gigantische bedrag van 1,7 miljoen daalders te verkopen aan prins Frederik der Nederlanden (1797-1881). Frederik werd op die manier meteen ook vorst van Muskau, iets wat hem niet ongevallig zal zijn geweest. De Nederlandse prins zou later een zeer goede beheerder van het park worden, wat Pückler ook verwacht had.

Bijzondere dood

Piramide

Piramide waar vorst Pückler begraven ligt Foto: Bundeskunsthalle

In 1871 overleed de prins op 86-jarige leeftijd. Zijn dood toonde eens te meer aan hoe apart de man moet zijn geweest. Aangezien hij niet door de wormen wilde worden opgegeten, zocht hij naar een alternatief. Omdat crematie toen uit religieuze overweging verboden was, gaf hij opdracht om zijn hart na zijn dood op te lossen in zwavelzuur en zijn lichaam met bijtende soda, kaliumhydroxide en ongebluste kalk (calciumoxide) te laten bewerken. Vervolgens werden de overblijfselen van zijn stoffelijk overschot in een piramide geplaatst die was aangelegd op een eiland in park Branitz. Zijn vrouw Lucie was daar al eerder begraven. Zo zouden zij beiden ‘eeuwig’ kunnen rusten op hun favoriete landgoed. Piramides waren volgens Pückler immers God’s meest permanente structuren op aarde. Tot nu toe heeft de prins gelijk gekregen. Men kan het landgoed waar bij begraven ligt na meer dan honderd jaar immers nog steeds bezoeken.

Website Bundeskunsthalle

 

Schrijf je in voor TOEN!