Linschoten-Vereeniging: honderd jaar reisverhalen

Honderd jaar geleden werd de Linschoten-Vereeniging opgericht door historici en oud-zeevarenden met belangstelling voor het reisverhaal. Wat is de doelstelling van deze vereniging en hoe waardevol is het reisverhaal als historische bron?

 Linschoten-VereenigingLinschoten-Vereeniging

De oprichters van de Linschoten-Vereeniging wilden de fascinerende wereld van historische reizen ontsluiten en de bronnen hierover publiceren. Hierbij namen zij de werken van Jan Huygen van Linschoten als voorbeeld. Hij publiceerde aan het einde van de zestiende eeuw zijn reisgeschriften en opende daarmee voor handelaars en avonturiers uit de Nederlanden de zeeweg naar Azië.

Over de geschiedenis van de Linschoten-Vereeniging en de reisverhalen die de vereniging uitgaf  is het volgende jubileumboekje verschenen:

Henk den Heijer en Cees van Romburgh (red.), Reizen door de eeuwen heen: 100 jaar Linschoten-Vereeniging (1908-2008) (Zutphen 2008).

Reisverhalen

Aan het begin van de zeventiende eeuw voeren Nederlandse schepen in korte tijd de wereldzeeën over: naar de Poolzee, de Indische en de Stille Oceaan. Deze zeereizen waren niet allen van belang voor de uitbreiding van het handelsgebied. Ze maakten ook onderdeel uit van de strijd tegen het Spaans-Portugese Rijk. De Nederlanden speelden een grote rol in het verkennen van nieuwe gebieden, met name in Azië, en het in publiceren van reisverhalen daarover.

Rond 1600 ontstond een nieuw literair genre: het actuele reisverhaal. Hierin waren de verrichtingen van Nederlandse zeelieden door iedereen, ook buiten de Republiek, te volgen. Dit in tegenstelling tot Europese landen met een sterke centrale overheid die dergelijke informatie meer geheim hielden. Verslagen van Nederlandse ontdekkingsreizen warden tot ongeveer 1620 binnen enkele weken of maanden na de terugkeer van een vloot gepubliceerd en bovendien binnen enkele jaren in een aantal talen vertaald. Toen de interesse voor dergelijke actuele reisverhalen afnam, kwamen daar twee andere populaire genres voor in de plaats: de persoonlijke reisverslagen en de verslagen van spectaculaire of rampzalige reizen.

Reisliteratuur was in de 17de en 18de eeuw een populair genre waarmee het grote publiek zich kon informeren over exotische oorden en vreemde gebruiken. De drukwerken werden daarom vaak geïllustreerd met kaarten en prenten die steden, bevolking, flora en fauna in beeld brachten.

Soorten reisverhalen

Welke soorten reisverslagen zijn er eigenlijk? ‘De meeste studies over reisverslagen herhalen elkaar in de constatering dat er geen algemeen overzicht van het Europese reisverhaal bestaat en dat de bibliografieën ontoereikend en verouderd zijn’, aldus historicus Roelof van Gelder.

Er zijn verschillende pogingen tot rubricering ondernomen, die telkens door latere onderzoekers vanwege onvolkomenheden in de rubriceringen of mengvormen verworpen werden. De roep om een definitieve rubricering en een goede bibliografie liet zich telkens opnieuw horen. Volgens Van Gelder zal het wel nooit tot één standaardwerk komen, niet alleen door de hoeveelheid reisverslagen, maar ook omdat er grote onderlinge verschillen tussen de reisverslagen zijn.
Van Gelder geeft zelf een definitie van de omvangrijke familie van reisteksten of reisgeschriften. Er zijn twee grote groepen binnen deze familie te onderscheiden. De eerste groep van reisgeschriften bestaat uit teksten die als gereedschap voor de reiziger dienden. Tot deze categorie behoort onder andere de apodemische literatuur. Dit zijn reisinstructies, ofwel teksten die voorschrijven hoe men dient te reizen, hoe men zich onderweg moet gedragen, wat men dient te observeren en op welke manier men een reisdagboek kan bijhouden. Verder worden tevens kosmografieën, dat wil zeggen historisch-geografische beschrijvingen van de aarde, reisgidsen, routebeschrijvingen en land en stadsbeschrijvingen tot het gereedschap van de reiziger gerekend. De zogenaamde actuele reisverslagen zullen vaak tot deze categorie reisgeschriften hebben behoord.

Naast dit soort reisgeschriften bestaan de eigenlijke reisverhalen, teksten waarin verslag wordt gedaan van een reis. Deze komen in verschillende vormen voor: het feitelijke van dag tot dag bijgehouden reisjournaal of itinerarium, het meer beschrijvende reisverhaal, de berijmde reis en de reisbrief. De persoonlijke en spectaculaire reisverslagen hadden vaak een van deze vormen.

De twee groepen die binnen de familie van reisgeschriften onderscheidden zijn, vallen nog nader onder te verdelen naar reisdoel. Vanaf de middeleeuwen werden er pelgrimsreizen naar het Heilige Land, naar Rome, naar Santiago de Compostella of naar kleinere bedevaartsoorden ondernomen. Verder zijn er nog andere reizen, met uiteenlopende bestemmingen, te onderscheiden: de militaire reis, de diplomatieke reis, de reis van wereldlijke of geestelijke leiders om hun macht in hun gebied te bevestigen, handelsreizen binnen en buiten Europa, academische reizen van studenten die zich van de ene naar de andere universiteit verplaatsen, de reizen van hoogleraren die onderweg zijn naar een universiteit om te doceren, de Kavaliersreisen voor jonge adellijke personen en de Wanderschaftsreisen van ambachtsgezellen die hun opleiding moesten voltooien bij gildenmeesters in andere steden.

Behalve deze reizen die allen een praktisch doel hadden, kwamen vanaf de zeventiende eeuw steeds meer reizen met een ontspannend of educatief karakter in zwang, zoals de Grand Tour, de badreis naar kuuroorden en de Bildungs- en bibliotheekreis. Uit de uiteenlopende functies van de genoemde reizen valt af te leiden dat zich een gevarieerd gezelschap, onderscheiden naar opleiding, herkomst en reismotief, op de wegen heeft bevonden. Bovendien zijn al deze soorten reisverhalen weer onder te verdelen naar de landsaard, eigen stijl en compositie, visie, observaties, overgeleverde feiten en verwerking van persoonlijke opvattingen van de auteur.

Reisverhalen dienen naar mijn mening bestudeerd te worden in het kader van de literaire tradities waar ze uit voortkomen en in de historische context van de tijd waarin hun auteurs leefden.

Reisverhalen als historische en literatuurwetenschappelijke bron

Vanaf het eind van de negentiende eeuw werden reisverhalen bestudeerd om een roemrijk verleden te bevestigen. Heldendaden, zoals de verovering van de zilvervloot door Piet Heyn, versterkten het nationalistische gevoel. Lange tijd stonden historici echter zeer gereserveerd tegenover reisverhalen als historische bronnen, omdat het idee bestond dat auteurs elkaar altijd overschreven, dat ze niet goed gedocumenteerd waren, dat hun waarneming subjectief was, dat ze slechts kort in de beschreven landen verbleven en dat hun ervaringen vaak lang na terugkeer op papier gezet werden.

Historisch-letterkundigen stonden ook terughoudend tegenover reisverhalen. Zij hadden echter een andere reden: reisverhalen werden vanwege hun niet-literaire stijl niet tot de schone letteren gerekend, tenzij het gerenommeerde auteurs als Montaigne, Hooft of Goethe betrof. Het nadeel van deze benadering was dat alleen beroemde esthetisch verantwoorde reisverhalen onderwerp van studie waren en dan niet in hun eigen context maar uitsluitend in het licht van de Europese cultuur. Historici en literatuurwetenschappers keken tot de jaren tachtig van de twintigste eeuw niet naar de specifieke achtergronden en tradities van de auteurs van reisverhalen.

Toen werd een frisse kijk op het genre gestimuleerd door de vergelijkende literatuurwetenschappen die zich al sinds het einde van de negentiende eeuw met het onderzoeken van beeldvorming over andere landen beziggehouden hebben. De ervaring van het vreemde, zoals deze in reisverslagen naar voren komt, kwam steeds meer in de belangstelling te staan. Vanaf dat moment wordt steeds meer een interdisciplinaire aanpak met betrekking tot de bestudering van reisverslagen voorgestaan. De geschiedwetenschap en de sociale wetenschappen kregen ook meer aandacht voor reisverslagen.

Historici hebben sinds de jaren tachtig steeds meer reisverslagen met behulp van een interdisciplinaire aanpak bestudeerd. Zo heeft historicus P. Rietbergen geprobeerd aan de hand van de drie boeken van WIC en VOC dienaar Johan Nieuhof de verschillende benaderingsmogelijkheden van het reisverslag te categoriseren. Hij maakt aannemelijk dat een geïntegreerde benadering vanuit vijf verschillende disciplines het begrip van de cultuurhistorische betekenis van Nieuhof’s werk kan vergroten. Hij geeft voorbeelden van benaderingen uit de geschiedwetenschap, de culturele antropologie, de kunstgeschiedenis, de bibliografie en de letterkunde.

Een recenter voorbeeld is het werk van Marijke Barend- van Haeften. Zij promoveerde op één reiziger, de chirurgijn Nicolaas de Graaff. Hij maakte zestien zeereizen, waarvan vijf in dienst van de VOC. In haar studie combineert zij een literatuurwetenschappelijke methode met historisch bronnenonderzoek.

Historicus Roelof van Gelder hanteert in zijn boek, Het Oost-Indisch avontuur, Duitsers in dienst van de VOC, ook een aanpak waarbij hij reisverslagen zowel vanuit literair-historische als vanuit historische hoek aan een onderzoek onderwerpt. Hij schrijft dat hij zich tot deze benadering heeft laten inspireren door twee gedetailleerde Duitse studies over reizigers en hun reisverslagen. Het ene voorbeeld werd gevormd door het proefschrift van Jill Bepler over de Europese reizen van hertog Ferdinand Albrecht von Braunschweig-Lüneburg (1636-1687) en zijn reisaantekeningen. De andere inspiratiebron was het artikel van Jürgen Lauchner over de Memminger broodbakker Martin Wintergerst, die tussen 1699 en 1709 tweemaal als konstabelsmaat, ofwel assistent van de kanonnier, in dienst van de VOC is uitgevaren.

Het grote verschil tussen de benadering van Van Gelder en de methodiek van zijn inspiratiebronnen is dat hij er voor heeft gekozen om zoveel mogelijk reisverslagen van Duitse VOC-dienaren op te sporen en te vergelijken en niet om één reiziger uitputtend te bestuderen, want dat kon volgens hem altijd nog. Die belofte heeft hij ingelost door een uitvoerige biografie over de Duitse VOC matroos Georg Naporra te schrijven. In dit werk combineert hij wederom een historische met een literatuurwetenschappelijke methode om het reisverhaal van Naporra te duiden en als bron te gebruiken.

Een dergelijke methode heb ik ook gebruikt bij het schrijven over vier Duitsers in dienst van de West-Indische Compagnie: Tim Wachelder, Avonturen in Brazilië en op de Goudkust. Vier Duitsers in dienst van de WIC (1623-1645) (doctoraalscriptie Radboud Universiteit Nijmegen 2004).

De, inmiddels 107 delen tellende, collectie reisverhalen die door de Linschoten-Vereeniging uitgegeven zijn, vormen interessant bronmateriaal voor historici en voor alle mensen die van avontuurlijke verhalen houden.

Linschoten-Vereeniging

http://www.linschoten-vereeniging.nl/

Voor wie meer wil weten over reisverhalen

Adams, P. G., Travelers and travel liars, 1660-1800 (New York 1980)

Barend-van Haeften, Marijke, Oost-Indië gespiegeld Nicolaas de Graaf, een schrijvend chirurgijn in dienst van de VOC (Zutphen 1992)

Bepler, Jill, ‘The traveller-author and his role in seventeenth-century german travel accounts’, in: Zweder von Martels, ed, Travel fact en travel fiction. Studies on fiction, literary tradition, scholarly discovery and observation in travel writing
(Leiden /New York/ Keulen 1994)

Brenner, Peter J., ‘Der Reisebericht in der deutschen Literatur. Ein Forschungsüberblick als Vorstudie zu einer Gattungsgeschichte’, in: Internationales Archiv für Sozialgeschichte der deutschen Literatur, 2 (Tübingen 1990)

Gelder, Roelof van, Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC
(1600-1800) (Nijmegen 1997)

Gelder, Roelof van, Naporra’s omweg. Het leven van een VOC-matroos (1731-1793) (Amsterdam 2003)

Harbsmeier, Michael, ‘Reisebeschreibungen als mentalitätsgeschichtliche Quellen: Überlegungen zu einer historisch- anthropologischen Untersuchung frühneuzeitlicher deutscher Reisebeschreibungen’, in: Antoni Mączak en Hans Jürgen Teuteberg, Reiseberichte als Quellen europäischer Kulturgeschichte. Aufgaben und Möglichkeiten der historischen Reiseforschung (Wolfenbüttel 1982)

Harbsmeier, Michael, ‘Towards a prehistory of etnography: early modern German travel writing as traditions of knowledge’, in: Han F. Vermeulen en Arturo Alvarez Roldán, Fieldwork and Footnotes. Studies in the History of European Anthropology (Londen 1995)

Heijer, Henk den en Romburgh, Cees van (red.), Reizen door de eeuwen heen: 100 jaar Linschoten-Vereeniging (1908-2008) (Zutphen 2008).

Jürgens, Hanco, ‘Ontdekkers en onderzoekers in de Oost. Britse reisverhalen gespiegeld, 1660-1830’, in: Utrechtse historische cahiers 15 (1994)

Link, Manfred, Der Reisebericht als literarische Kunstform von Goethe bis Heine. (Keulen 1963)

Rietbergen, P. J. A. N., ‘Zover de aarde reikt. De werken van Johan Nieuhof (1618-1672) als illustratie van het probleem der cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis tussen specialisatie en integratie’, in: De zeventiende eeuw, 2 (1986) nr. 1

Roeper, Vibeke en Wildeman, Diederick, Reizen op papier. Journalen en reisverslagen van Nederlandse ontdekkingsreizigers, kooplieden en avonturiers (Zutphen 1996)

Stagl, Justin, A history of curiosity. The theory of travel 1550-1800. Studies in anthropology and history 13 (Harwood uitgevers 1995)

Wachelder, Tim, ‘Reisverhalen voor handelaren. Natuurlijke historie, Kameralistik en Waarenkunde’, in: SKRIPT 25, nr. 2 (Amsterdam 2003)

Wachelder, Tim, Avonturen in Brazilië en op de Goudkust. Vier Duitsers in dienst van de WIC (1623-1645) (doctoraalscriptie Radboud Universiteit Nijmegen 2004)

Tim Wachelder

Tim Wachelder studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in Europese Expansiegeschiedenis. Behalve over koloniale geschiedenis schrijft hij ook over militaire, culturele en Nijmeegse geschiedenis. Sinds 2007 is hij webredacteur bij Historiën.

More Posts

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!