De rol van Hollywood bij politieke conflicten

Door Rob van Hemert

Het wordt vaak gezegd: Hollywood heeft een grote invloed op de publieke opinie. Verhalen en opvattingen van schrijvers, regisseurs en acteurs gaan via het witte doek de hele wereld over. Het is dan ook niet vreemd dat de politiek zich bemoeit met de filmindustrie, zeker ten tijde van oorlog. Dit gebeurde voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maar komt ook vandaag de dag nog voor.

Koude Oorlog

Na de Tweede Wereldoorlog voeren de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, voormalige bondgenoten in de strijd tegen de Duitsers, een Koude Oorlog. Koud, omdat het niet tot een directe militaire confrontatie komt. Dat is maar goed ook, want na 1949 bezitten beide landen steeds meer atoomwapens. Door de wapenwedloop tussen de VS en Rusland zijn er al snel zo veel atoombommen dat elk leven op aarde verwoest kan worden. Koud of niet, deze oorlog beïnvloedt de filmmakers in Hollywood. Net zoals de Tweede Wereldoorlog dat eerder deed.

Van pacifisme naar propaganda

Voordat de Japanners in december 1941 Pearl Harbor aanvallen, woedt er in de Verenigde Staten een debat tussen interventionisten en isolationisten. De eerste zijn voor militair ingrijpen, terwijl de isolationisten de VS buiten de (dreigende) oorlog willen houden. In het begin van de jaren dertig hebben veel Hollywoodfilms een pacifistisch karakter. De klassieker All Quiet on the Western Front (1930) is hier het bekendste voorbeeld van. Een sympathieke Duitse soldaat vindt in deze film uiteindelijk de dood, nadat hij de zinloosheid en de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog heeft (in)gezien.

Eind jaren dertig verdwijnt het pacifisme echter naar de achtergrond. De senator Nye (een overtuigd isolationist) beweert dat Hollywood, samen met president Roosevelt, de Verenigde Staten in de Europese oorlog wil betrekken. Het congres doet onderzoek naar Nye’s beweringen. Maar als Japan in december 1941 de Amerikaanse basis Pearl Harbor aanvalt, is het debat tussen de interventionisten en isolationisten achterhaald. De Amerikanen worden niet door Hollywood, maar door de Japanse verrassingsaanval bij de oorlog betrokken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunt Hollywood de Amerikaanse oorlogsvoering fanatiek. De films hebben duidelijk het doel om de moraal hoog te houden. Duitsers komen er slecht van af en Japanners nog slechter. In de films komen twee universele thema’s naar voren. Ten eerste wordt de strijd tussen goed en kwaad verbeeld; een strijd tussen vrijheid en tirannie. Ruimte voor nuance is er maar zelden. Ten tweede wordt een positief punt van de oorlog benadrukt: door de strijd zou de VS weer één worden. Verschillende klassen en rassen trekken samen op en leggen hun verschillen naast elkaar neer. Regisseurs als Frank Capra en John Huston gaan nog een stap verder en gaan zelfs in dienst. Capra maakt tijdens zijn diensttijd een serie propagandafilms onder de naam Why We Fight. Huston wordt het hoofd van de Field Photo Service (een eenheid die onder de OSS valt, de voorloper van de CIA) en maakt opnames op verschillende slagvelden.

Overheidsingrijpen ten tijde van oorlog

De steun van Hollywood voor de oorlog kwam niet alleen voort uit patriottisme van de regisseurs: de Amerikaanse overheid ging zich flink bemoeien met de filmsector. The Office of War Information kon er voor zorgen dat een film geen exportvergunning kreeg, wat de opbrengsten van een film behoorlijk kon schaden. Dit gaf de organisatie ongekende macht om films naar hun hand te zetten.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog verdween de controle van de Office of War Information, maar al snel ging de House Un-American Activities Committee (HUAC) zich met Hollywood bezighouden. Zij richtten zich vooral op de bestrijding van (sympathisanten van) het communisme, de ideologie van Amerika’s nieuwe vijand. In 1947 organiseert de HUAC de eerste hoorzittingen om de communistische infiltratie in Hollywood te onderzoeken.

Met name schrijvers worden gedagvaard om informatie te geven over de communistische infiltratie in Hollywood. De zogenaamde Hollywood Ten weigeren dit, in tegenstelling tot veel collega’s, en beroepen zich op hun zwijgrecht. Gevangenisstraffen van meerdere maanden en een plek op de ‘zwarte lijst’ zijn het gevolg.

De FBI, onder leiding van J. Edgar Hoover, concentreert zich ook op het ‘rode gevaar’ en verschaft de HUAC informatie over mogelijke communisten, die zich vervolgens moeten verantwoorden voor de commissie. Eén van de FBI-informanten is Ronald Reagan (toen acteur, later president) die voorzitter is van de Screen Actors Guild, Reagan verschijnt ook voor de commissie, als een zogenaamde ‘friendly witness’.

Senator McCarthy, de politicus die bekend is komen te staan om zijn felle heksenjacht op communisten, gooit in 1950 olie op het vuur door te beweren dat communisten geïnfiltreerd zijn in het Pentagon, de universiteiten, Hollywood, Broadway en de televisiewereld. Deze uitspraak zorgt er mede voor dat er in 1951 weer een onderzoek volgt naar de filmindustrie. Hollywood is in deze jaren in de greep van de angst voor een vijfde colonne (aanhangers van de Sovjet-Unie in de VS).

Vaderlandsliefde

Ten tijde van de jacht op communisten moesten de leden van de Screen Actors Guild een beëdigde verklaring ondertekenen waarin zij verklaarden geen communist te zijn. Hiermee moest de organisatie bewijzen ‘zuiver’ te zijn. The Motion Picture Alliance for the Preservation of American Ideals (MPA) ging nog een stap verder. In de beginselen van deze organisatie wordt gewaarschuwd voor de verspreiding van communistische ideeën en andere niet-Amerikaanse normen en waarden door middel van films. Volgens de MPA heeft de filmindustrie een grote invloed op de publieke opinie en moest hier verstandig mee worden omgegaan. De conservatieve organisatie gaf dan ook richtlijnen uit voor Hollywood. Films mochten geen kwaad spreken over de vrijemarktideologie en het collectief mocht niet worden verheerlijkt. Via dit soort verklaringen en richtlijnen beïnvloedden organisaties als de Screen Actors Guild en de MPA wat er in Hollywood gemaakt werd.

Hollywood-acteur John Wayne (bron: Wikimedia)

Hollywood-acteur John Wayne (bron: Wikimedia)

Voorzitter van de MPA was John Wayne, misschien wel de meest bekende cowboy uit de filmgeschiedenis. In 1962 speelt hij in de klassieker The Man Who Shot Liberty Valance van John Ford. Deze film is een goed voorbeeld van hoe de strijd tegen het communisme in een western wordt verweven. De superioriteit van Amerikaanse normen en waarden komt in deze film namelijk (al dan niet subtiel) aan bod. Zo krijgt het filmpubliek een lesje Amerikaanse geschiedenis in de bovenstaande scene waarin acteur James Stewart, in de rol van onderwijzer, zijn klas vraagt naar de manier waarop Amerika wordt geregeerd en hoe de rechtsstaat in elkaar zit. De kinderen en volwassenen in zijn klas geven gretig antwoord op die vraag.

Hollywood en de War on Terror

Wat opvalt uit de beschrijving van Hollywood ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog is dat de filmindustrie erg beïnvloed wordt door deze politieke conflicten. Of dit nu komt door patriottische gevoelens die worden aangewakkerd, door angst voor het ‘rode gevaar’ of door direct of subtieler ingrijpen door de overheid, het resultaat is terug te zien in films die de hele wereld overgaan.

Dit is echter niet alleen iets van het verleden. Ook vandaag de dag worden Hollywoodfilms beïnvloed door een oorlog, namelijk de War on Terror. Na de aanslagen van 11 september 2001 vindt er in Beverly Hills een bijeenkomst plaats tussen Karl Rove, een belangrijke adviseur van Bush, en vertegenwoordigers uit de (televisie-) en filmwereld. Wat er op de agenda staat? De vraag hoe Hollywood kan bijdragen aan Amerika’s nieuwe oorlog, de oorlog tegen de terreur.

Dit artikel is tot stand gekomen met dank aan onze collega’s van Kennislink.

Bronnen:

  • Ceplair en Englund. (1980) The Inquisition in Hollywood: Politics in the Film Community, 1930-1960.
  • Isaacs, J. en T. Downing (2008). Cold War. Londen: Abacus.
  • Robb, David (2004). Operation Hollywood: How the Pentagon Shapes and Censors the Movies.
  • Thompson, K. en D. Bordwell (2003). Film History. An Introduction. New York: Mc Graw Hill.
  • R. van Hemert. Kennislink. ‘Hollywood trekt ten strijde: politieke conflicten in de filmwereld.

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!