Rovende Vikingen langs de IJssel

Het werk van Luit van der Tuuk is te koop in de boekhandel.

Het werk van Luit van der Tuuk is te koop in de boekhandel.

Luit van der Tuuk heeft in 2015 het boek Vikingen, Noormannen in de Lage Landen geschreven. Het kwam op Historiën al aan de orde. We komen te weten wat de verschillen zijn tussen Noormannen, Denen en Vikingen. We lezen dat er tussen de Friezen en de Noormannen intensieve (handels)contacten bestonden. En dat de Frankische koningen de Lage Landen, onherbergzaam als ze waren door vele meren en moerassen, vooral links lieten liggen. En we leren over machtsspelletjes tussen Oost- en West-Frankische koningen, dat het rijk daardoor verzwakte en dit de Noormannen of Vikingen gelegenheid bood eens op rooftocht uit te gaan. Utrecht heeft helemaal niet zoveel te lijden gehad, als we Tuuk moeten geloven, maar aan de IJssel hadden ze meer te vrezen. Met het Vikingenboek van Tuuk in de hand gaan we in Deventer op zoek naar sporen van Vikingen.

Sporen in de bodem

Aan de IJssel ligt Deventer. Het verkeer raast over de drukke weg, parallel aan de rivier. Als fier overblijfsel van de stadsverdediging staat een robuust rondeel uit de Middeleeuwen. Hierachter liggen, -in een oase van rust- de IJsselstraat, de nauwe Kranensteeg, de Molenstraat, Stenenwal en Molengang, Muggeplein, Klooster en de Noordenbergstraat, die uitkomt op de Hofstraat en Nieuwe Markt. Eeuwenoude herinneringen, die jarenlang als schatten verborgen lagen in de bodem, werden dankzij opgravingen opgehaald. Dat gebeurde aan het eind van de negentiger jaren door een groep archeologen, die na sloop en vanwege restauratieprojecten zich stortte op oudheidkundig onderzoek in dit deel van de stad. Tien eeuwen geschiedenis kwam bloot te liggen. Uiteindelijk stuitten de onderzoekers op een zwarte laag. Deventer in de negende eeuw. Vikingtijd. Het zag er niet best uit. Met hun schepen stroopten zij de Lage Landen af en hebben ook in Deventer verschrikkelijk huisgehouden.

Heidense handel en Merovingische missie

In de laat-Merovingische tijd, rond 770, hoorde Deventer bij het christelijke Frankische rijk. De wereld was in beweging. Oost- en West-Frankische koningen waren aan het ruziën over wie wat wanneer welk deel van het grote Frankische rijk zou erven. Dorestad was onder de macht van Karel de Kale geraakt en de kooplieden zochten hun heil in onder andere Deventer. Er streken ook Friezen neer die de plaats Taventri noemden, volgens de overleveringen uit de Middeleeuwen. De IJssel lag wat verder landinwaarts en grensde aan wat nu de Noordenbergstraat heet. Geen stenen bebouwing, maar grote vrijstaande houten huizen lagen in een lint langs de rivier, vanaf Muggeplein tot Nieuwe Markt. Iets verderop stond een houten kerkje, in 770 gesticht door de Engelse evangelist Lebuïnus. Dit kerkje markeerde in feite de grens van het Frankische rijk met de heidense Friezen.

Archeologen hebben prachtig aardewerk, van hoge kwaliteit gevonden. De mensen die hier woonden waren rijk en bezaten luxeartikelen. Ongeveer veertig procent van de gebruiksgoederen was geïmporteerd uit het gebied rondom Keulen. Het is duidelijk dat de bewoners leefden van handel. De kleinzoon van Karel de Grote, de Frankische koning Lotharius I, zwaaide hier tot 855 de scepter. De Deventernaren genoten veel vrijheden onder hun koning. Ze hadden recht op eigen handel en konden met andere volkeren, zoals met Friezen en Noormannen, verdragen sluiten. Er heerste een stabiele rust, omringd door rijkdom en voorspoed. Naast een handelsnederzetting was Deventer tevens een missiecentrum. Richting het noorden probeerden de inwoners de heidenen te bekeren tot het Christendom, met wie zij ook handel dreven. Handel met de christelijke Franken bleek lucratief, en Deense fortuinzoekers en avonturiers wilden hier geld en rijkdom vergaren. Om te kunnen handeldrijven met de Christenen moesten zij gedoopt zijn, maar daar voelden zij niet veel voor. De Franken hadden daar de primo signatio voor in het leven geroepen. Een plichtmatig ritueel, dat aan de eigenlijke doop voorafging. Voor de heidenen was dit afdoende, de poorten naar negotie waren geopend. Voor de Christenen stond de deur open voor verdere kerstening. Althans dat dachten zij. Het zou echter niet zo makkelijk lopen als gehoopt.

Plunderende mensenstromen

De rust zou niet lang meer duren. Diverse steden in Europa waren herhaalde malen geplunderd door Vikingen. Kort gezegd kwamen er mensenstromen op gang, als gevolg van politieke instabiliteit in het huidige Denemarken (en misschien noordelijker). Gelokt door de verhalen van de onmetelijke rijkdommen in het Frankische rijk, vestigden zich aanvankelijk kleine groepen in de steden of stichtten zij elders eigen nederzettingen op. Gaandeweg ontstonden er benden die Noordwest-Europa onveilig maakten. Ze werden Vikingen genoemd; groepen Noormannen die van roof en plunderingen hun beroep hadden gemaakt. De plundertochten duurden aanvankelijk kort; nadat de buit binnen was, trokken de roversbenden huiswaarts. Kerken werden leeggehaald en platgebrand. Niet omdat de Vikingen een hekel zouden hebben aan Christenen, maar men had het voorzien op de kerkschatten. De mensen uit de steden werden gevangengenomen en verkocht op de slavenmarkt in bijvoorbeeld het plaatsje Hedeby en vanaf 870 ook in Dublin. Tussen de Noormannen en Vikingen bestond dus een verschil. Vikingen waren dikwijls Noormannen, maar het is bekend dat er zich ook Friezen aansloten bij deze benden en dus Viking werden. De Friezen hadden een afkeer van het centraal geregelde Frankische gezag. Aangezien ze heidens waren, waren Friezen en Noormannen elkaars medestanders tegen de Franken, die steeds weer poogden hun gebied onder Christelijke knoet te krijgen.

Van Dorestad naar Deventer

Naarmate de bandietenbenden groter werden, en beter waren georganiseerd, opereerden ze vanuit een basiskamp. In Walcheren hebben archeologen een dergelijk kamp gelokaliseerd. Het werd serieus voor de Franken. Van tijdelijke plundertochten kon men niet meer spreken. De Vikingkampen waren zo goed opgezet, dat het de Frankische koningen nooit was gelukt een in te nemen. Vanuit deze kampen werden de strooptochten ondernomen. Vele handelssteden waren dikwijls doelwit, zoals Dorestad, om er maar een te noemen. Dorestad was, voor zover bekend, in 863 voor het laatst geteisterd door de Noormannen – of beter- Vikingen. Hier viel niets meer te halen.

Vikingschat gevonden op Wieringen.

Geroofd zilver omgesmolten tot staafjes? Deze schat behoorde waarschijnlijk toe aan een Noorman.

De Vikingen begrepen dat ook Deventer een rijke handelsstad was en zij bestookten de stad met tussenpozen al vanaf 834. In 882 zetten zij opnieuw koers over de IJssel. Schepen met angstaanjagende boegbeelden in de vorm van draken- of slangenkoppen voeren de rivier af. Ze meerden aan en spaarden man noch paard. Deventer werd geplunderd, voor de zoveelste keer werd het houten kerkje van Lebuïnus in brand gestoken. Het zilver en goud en alle andere kostbaarheden werden meegenomen. De handelshuizen werden leeggeroofd, en alsof dat niet genoeg was, in brand gestoken. Het vee werd gedood voor leeftocht. Wat gebeurde er met de inwoners? De Frankische kroniekschrijver, hoogstwaarschijnlijk een monnik, schreef over kometen en bloedregens, die het heidense onheil aankondigden. Het verbranden van Christelijke kerken was koren op hun propagandamolen, om de heidenen af te schilderen als barbaren, die geen respect hadden voor Christelijke goederen en waarden. De monnik repte met geen woord over de slachtoffers, de mannen, vrouwen en kinderen die waarschijnlijk eindigden op een slavenmarkt, in Dublin of Hedeby.

Enfin, Deventer in de as. Van houten handelshuizen was niets meer over. In feite laat de archeologie zien dat de ramp groot moet zijn geweest. Een triest bewijs ervan werd gevonden in de dikke brandlaag in de bodem. Dagenlang moet het vuur hebben gesmeuld, zoals de laag verkoolde resten in de bodem laat zien. Een stille getuige is een zilveren munt, een Denarius met de beeltenis van Lotharius I; het zilver is zwaar aangetast door de hitte van het vuur.

Paal, perk en palissade

Vanuit de Frankische adel kwam iets voor 890 het initiatief om paal en perk te stellen aan de vreselijke Vikingaanvallen. Een abt van het klooster Regino beschreef het uitgebreid in een kroniek. Deventer lag in Hamaland, dat zich kortgezegd uitstrekte langs de IJssel tot Zutphen. Hamaland viel met het Verdrag van Verdun in 843 onder het Oost-Frankische rijk met de Rijn als scheidslijn. Het gebied gelegen beneden de Rijn, kwam onder gezag van het West-Frankische rijk. De machtige Saksische graven steunden hun Oost-Frankische koning, Karel de Dikke (regeerde van 876-887), die hierdoor sterk in het zadel zat. Van de koning kreeg graaf Everhard, die Hamaland bestuurde, de eervolle taak om de Vikingen een lesje te leren.

Men besloot tot de aanleg van een complex van bufferburchten in de Hamalandse steden. Ook Deventer moest eraan geloven en kreeg een aarden wal als bescherming. Graaf Zwentibold, met zijn zetel in Zutphen voerde het militaire gezag. Hij had meegeholpen om de Vikingen uit Utrecht te verjagen en had de invloedrijke Vikingvoorman Godfried verslagen. (Tegenwoordig is men, door de manuscripten over de Vikingaanvallen in Utrecht nog eens goed onder de loep te nemen, tot de conclusie gekomen dat Utrecht nauwelijks werd geteisterd door de Vikingen, vergeleken met Dorestad, Deventer en andere steden). Hoe dan ook, Everhard was een ijzervreter, die in het gebied een heel verdedigingsnetwerk had opgezet. Zijn zoon voltooide het in het jaar 898. De Karolingische koningen hadden zowel in Deventer als in Zutphen uitgebreide bezittingen. De verdedigingswerken, stadsburchten, aarden wallen, beschermden de koninklijke goederen, maar er speelde meer. Door deze imposante verdedigingswerken was het Karolingische gezag zichtbaar in deze steden.

Resten bolwerk

Van de restanten van dit verdedigingsbolwerk zijn in Deventer nog steeds sporen te vinden. Even voorbij Klooster, tussen Molengang en Molenstraat, licht het straatje Stenenwal als een zichtbare herinnering uit de Vikingtijd. Deze wal vormde een onderdeel van de in de negende eeuw gebouwde beschermingsburcht. Het aarden lichaam was een groots bouwwerk met enorme afmetingen. Het stuk dat nu nog overeind staat, en deels verscholen ligt in de achtertuinen grenzend aan die van aan de Graaf van Burenstraat, is een fractie van wat er ooit stond. Voor de enorme ophoping lag een grote droge greppel van een paar meter breed. De wal zelf was vier meter hoog. Aanvankelijk was deze afgedekt met rivierzand, maar dat bleek snel te verwaaien. Na dertig jaar dienden leem en mortel als afdeklaag. Op het bolwerk stond een houten palissade, mogelijk met scherpe punten. De stad was beschermd; het deel Molenstraat, Molengang, Klooster, IJsselstraat, Kranensteeg, Noordenbergstraat, Nieuwe Markt en Hofstraat. De archeologen hebben een stuk van vijftig meter lang in kaart weten te brengen. Opvallend is dat de wal in een ruime boog om de bebouwing heen lag.

Onderkomen voor de bisschop

Rond 900 had in deze Frankische stad, onder Karolingisch gezag, de Utrechtse bisschop een veilig onderkomen gevonden. Of dat te maken had met de Vikingaanvallen of andere redenen, weten we niet precies. De manuscripten die erover schrijven zijn onder anderen van Johannes de Beka, en die leefde in de dertiende eeuw (!). Waarschijnlijk had de stad Utrecht alleen in de tweede kwart van de negende eeuw last van Vikingen. Deventer (en ook andere steden) hadden zoals hierboven uitgelegd, veel meer van hen te duchten. Sinds de komst van Lebuïnus viel Deventer onder het religieuze gezag van de Utrechtse bisschop, en het lijkt erop dat men met een zetel van de prelaat de Karolingische macht hier extra wilde benadrukken.

Zoals eerder genoemd, voerde Graaf Zwentibold het militaire gezag over Deventer. Hij moet ongekend wreed zijn geweest, maar had een organisatietalent waarmee hij het klaarspeelde om met medewerking van de plaatselijke adel de door de Vikingen geplunderde steden weer op te bouwen. Hij was het die ervoor zorgde dat de kooplieden vrijheden en privileges kregen, omdat hij wist dat de steden gebaat waren bij een florerende handel. Dit gold ook voor Deventer. En hoewel de angst voor de Vikingen er in de tiende eeuw nog steeds goed inzat, groeide de economie.

Van houten handelshuis naar goddelijke gevelsteen

In een kleine honderd jaar veranderde Deventer en kwam tot grote bloei. Herinneringen hieraan zijn gevonden in de bodem, in de vorm van prachtige gespen, voorwerpen en kruiken met zeer gedetailleerde versieringen. De bevolking die woonde op de plek vanaf Molengang tot Klooster en via de Noordenbergstraat naar de Nieuwe Markt, kende een grote rijkdom en een hoge levensstandaard. Archeologen noemen de tiende eeuw wel de Gouden Eeuw van Deventer.

In de elfde eeuw zetelden de bisschoppen allang weer in Utrecht, maar een deel van de kanunniken bleef gezellig in Deventer, dat vanaf dit moment fungeerde als reserveresidentie. Vreemd genoeg liet de bisschop na zijn vertrek naar Utrecht in Deventer een grote basiliek met paleis bouwen, beiden opgetrokken in steen. Op last van de kerkvorst werd de Nieuwe Markt schoongeveegd. Hier moest het paleis met basiliek verrijzen. Alle houten handelshuizen moesten wijken voor de bisschoppelijke wensen. Er zijn stenen funderingen van zeventig meter lang gevonden in de bodem onder Nieuwe Markt, waarop de huidige Noordenbergstraat uitkomt. De bouwmaterialen zijn dezelfde als die van de Grote- of Lebuïnuskerk. Het paleis stond tegen de kerk aan. Waarom liet de bisschop zo’n groot gebouw neerzetten? Was het een strategisch besluit, om zijn macht -en dat van de Koningen- te consolideren? Op basis van de stenen fundamenten in de grond hebben de archeologen berekend, dat het bisschoppelijke paleizencomplex destijds een van de grootste gebouwen van Noordwest-Europa moet zijn geweest. Deventer was dan ook – na Utrecht het belangrijkste bestuurscentrum van de machtige bisschop.

Oudste stenen muur van Nederland. Het onderste fundament stamt uit het jaar 900.

Oudste stenen muur van Nederland. Het onderste fundament stamt uit het jaar 900

De handel ging ook door, zoals de bodemschatten ons laten zien. De kooplieden schoven wat op; de plaats rondom de huidige Nieuwstraat was immers gereserveerd voor het uitzicht van de Utrechtse bisschop. Niet alleen de kooplieden, ook de rivier was in beweging en is door de eeuwen heen meer naar het westen komen te liggen.

Stevig staketsel en wandelend water

Tussen de Noordenbergstraat en de IJssel ligt haaks op de Noordenbergstraat de IJsselstraat. Een relatief jonge straat, die pas in 1874 is aangelegd, toen de sloop van de vestingwerken in volle gang was. Op deze plaats stond de Steckedertoren, een verbastering van Stakettentoren, opgericht ter beveiliging van het staketsel (de palissaden), dat Deventer beschermde toen het nog niet was voorzien van een stenen muur. De smalle Kranensteeg was de belangrijke aan- en afvoerweg van handelswaar en geïmporteerde goederen. In de bodem van de IJsselstraat vonden archeologen in de jaren negentig houten beschoeiingen, die zijn aangelegd vanaf de tiende eeuw. De natuur was grillig, en naarmate de loop van de IJssel steeds weer en steeds meer naar het westen opschoof, verhuisden de beschoeiingen mee. De laatste telg ervan is de huidige kademuur. In de elfde eeuw lag de IJssel ongeveer halverwege de huidige IJsselstraat en was de Kranensteeg dus niet zo lang als nu. In een drie meter brede insteekhaven konden kleine platbodems aanmeren en werden goederen geladen en gelost. Wanneer een schip niet meer geschikt was om te varen, werd het kostbare hout gebruikt voor de bouw van kaden in de haven. Een bootfragment dateert volgens dendrochronologisch onderzoek uit 919, dat wil zeggen dat de boom in dit jaar gekapt werd.

Deventer werd eeuwenlang beschermd door de ‘Vikingwal’ en door de brede droge greppel. In de dertiende eeuw bleek dit niet meer afdoende. Er werd begonnen met de bouw van een stenen muur, waarbij de brede greppel werd dichtgegooid. Het stadsbeeld wijzigde drastisch; geen brede wal met Vikingburcht meer, of een bisschoppelijk paleis dat hoog boven de stad uittorende. Een degelijke stenen stadsmuur, met robuuste torens, verbonden met sterke vleugelmuren. Eén ervan moet gestaan hebben ter hoogte van de huidige Stenenwal. De oude verdedigingswal uit de Vikingtijd werd op deze plek benut als fundament voor de dertiende-eeuwse stenen opvolger. Dankzij deze stenen muur was Deventer voorlopig weer beschermd. Van Vikingen had men niets meer te duchten; die behoorden ook toen al tot de voltooid verleden tijd.

Door Ester Smit

 

Literatuur en bronnen:

Tuuk, L. van der Vikingen. Noormannen in de Lage Landen (Utrecht, 2015)

Coster, W. [e.a.] Plaatsen van herinnering. Overijssel (Bert Bakker, 2011)

Bedaux, J. De Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer (Deventer, 1985)

Stadsarchief Deventer, Collectie Wagenaar ID1457 map 5, 6, 7, 12 en 35

www.deventer.info.nl <HTML> VVV-Deventer (2014)

 

Afbeeldingen zijn (tenzij anders vermeld) van de auteur.

 

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!