Waarom is Brooks-schip symbool voor slavernij?

Het slavernijverleden van Nederland staat volop in de belangstelling. De afbeelding van het slavenschip Brooks is een symbool in de strijd tegen slavernij.
Het slavernijverleden krijgt in Nederland volop belangstelling. De slavernij werd hier in 1863 afgeschaft. In Engeland gebeurde dat in 1834. In dit artikel staat de afbeelding centraal die een symbool werd voor de strijd tegen slavernij: het slavenschip Brooks.Sommige afbeeldingen worden wereldberoemd. Is het eenmaal zover dan is het nog maar een kleine stap om tot een symbool uit te groeien. In een oogwenk weet een willekeurige beschouwer wat de afbeelding voorstelt, wanneer deze is gemaakt en ter gelegenheid waarvan. Wie zal ooit de beelden van de brandende Twin Towers in New York (11/9/2001) kunnen vergeten of verwarren met een andere gebeurtenis? In Nederland zullen velen bij het zien van een foto van een meisje met hoofddoek dat angstig uit de deur van een goederentrein kijkt, weten waar het om gaat. Het betreft een transport naar een vernietigingskamp in de Tweede Wereldoorlog. Zo’n beeld maakt indruk, daar kan een geschreven tekst bijna nooit tegenop.

Het slavenschip Brooks. Bron: wikipedia.

Na een lange tijd van stilte is in Nederland in bredere kring belangstelling ontstaan voor de vaderlandse betrokkenheid bij de slavenhandel en de slavernij. Dat heeft mede geleid tot tentoonstellingen en de onthulling van een nationaal slavernijmonument in 2002. In diverse publicaties die rondom de tentoonstellingen en de onthulling van het monument verschenen werd met enige regelmaat gebruik gemaakt van een afbeelding, die het interieur van een slavenschip toont. Het gaat om een afbeelding van het slavenschip Brooks (ook wel gespeld Brookes). De meeste kijkers en dat geldt zeker voor die personen die zich al hebben verdiept in het slavernijverleden, zullen meteen dat slavenschip herkennen en de barre omstandigheden waaronder slaven werden vervoerd.

Abolitionisten

Plaats, tijd en betekenis in een oogopslag duidelijk! Nu ja duidelijk? Bij nader onderzoek blijkt dat deze beroemde prent toch niet helemaal de historische werkelijkheid verbeeldt.
De afbeelding van het slavenschip Brooks laat niet zien wat er werkelijk gebeurde, maar toont een geconstrueerde werkelijkheid.
Een constructie die geen ander doel dient dan de toeschouwer te emotioneren. Die moet gaan denken: ‘dit kan toch niet! Mensen, zelfs slaven, kunnen toch niet zo worden behandeld!’. Daarmee bereikten de Engelse abolitionisten (de voorstanders van de afschaffing van de slavernij) precies wat ze wilden. Wie waren deze abolitionisten, wat was er bijzonder aan het slavenschip Brooks en hoe kon juist deze afbeelding zo’n belangrijke rol gaan spelen in de strijd tegen de slavernij?

Europese expansie

Portugese zeevaarder begonnen vanaf het midden van de vijftiende eeuw Afrika in zuidwaartse richting te verkennen. Zij handelden met de lokale bevolking in het ongeveer vijfduizend kilometer lange westelijk kustgebied van Afrika, tussen de Sahara-woestijn in het noorden en de Kalahari-woestijn in het zuiden. Het kustgebied werd in twee grote delen onderverdeeld. Het noordelijke deel dat tweederde van de totale lengte beslaat werd Guinea genoemd, het zuidelijke deel Angola (ook wel Loango) De handel concentreerde zich voornamelijk op (stof)goud, ivoor en grein (een soort peper) In sommige gevallen werden door Afrikaanse vorsten of handelaren tot slaven gemaakte Afrikanen ter verkoop of ruil aangeboden. De slaven werden door de Portugezen als arbeidskrachten ingezet op hun suikerrietplantages in Zuid-Portugal en op de eilanden voor de Afrikaanse kust.

In het voetspoor van de Portugezen volgden Engelsen, Fransen, Denen, Zweden, Brandenburgers en Nederlanders. Om hun handelsbelangen veilig te stellen sloten de Europeanen overeenkomsten met Afrikaanse vorsten en bouwden zij er hun handelsforten. Het duurde niet lang voordat Engelsen en Nederlanders de Portugezen van de kust verdrongen.

De door Europeanen in Noord en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied ontwikkelde plantage-economie vroeg om de voortdurende aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Om daar in te voorzien kochten plantagehouders Afrikaanse slaven op, die op grote schaal en vaak onder erbarmelijke omstandigheden door Europese schepen uit Afrika werden aangevoerd.

Engelse slavenhandel

Tot het midden van de zeventiende eeuw was de Engelse betrokkenheid bij de handel in slaven beperkt. Rond 1562 poogde de Engelse admiraal Sir John Hawkins (1532-1594) het Spaanse monopolie op de handel in slaven in het Caribisch gebied te doorbreken door uit Afrika slaven aan te voeren. Zijn pogingen leidden wel tot een conflict met Spanje maar brachten nauwelijks de winst die hij er van verwachtte. Na 1621 namen de Nederlanders de machtige positie van de Portugezen op de kust over. Onvermijdelijk werd de West Indische Compagnie de toekomstige tegenstander van de Engelsen en hun expansiepogingen op de kust.

In 1631 kreeg een groep handelaren van de Engelse koning het handelsmonopolie op de West-Afrikaanse kust. Zij verenigden zich in: the Company of Merchants Trading to Guinea. In slaven werd nauwelijks gehandeld maar dat veranderde toen vanaf ongeveer 1640 de groei van de Engelse plantages in het Caribisch gebied aanvoer van grote hoeveelheden werkkrachten noodzakelijk maakte. De handel in slaven kreeg een nieuwe impuls toen in 1660 de Company of Royal Adventurers of England Trading into Africa (beter bekend als de Royal Africa Company, de rechten van de oude Guinea Company overnam. Het aantal Afrikaanse slaven dat door deze organisatie werd vervoerd nam snel toe.

De Nederlandse aanwezigheid werd steeds meer een obstakel voor de Engelse expansie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste schermutselingen van de Derde Engelse Zeeoorlog (1672-1674) plaatsvonden op de Afrikaanse kust toen een Engels eskader, onder leiding van Sir Robert Holmes, alle Nederlandse forten met uitzondering van Elmina op de kust veroverde.

In 1698 werd het monopolie van de Royal Africa Company onder druk van niet aangesloten Engelse handelaren aangepast. Voor een periode van veertien jaar werd de handel tegen vergoeding vrijgegeven. In 1712 verviel ook deze beperking en werden Engelsen de belangrijkste slavenhandelaren in het Atlantische gebied.

Het waren echter niet uitsluitend Europese kooplieden en Afrikanen die betrokken waren bij de ‘Africa-trade’. Het vervoer van de Afrikaanse slaven vergde de inzet van vele duizenden zeelieden. De arbeidsomstandigheden van zeelieden in de 17e en 18e eeuw waren abominabel. Naast het gevaar van oorlog op zee had men te maken met slecht voedsel, strenge discipline, lijfstraffen en lange arbeidstijden.

Hoog sterftecijfer

Een logisch gevolg van deze omstandigheden was dat het sterftecijfer onder bemanningen van koopvaardij en marineschepen hoog was. Dat was in het bijzonder het geval bij de vaart op Afrika. Tijdens de maanden dat de schepen voor de kust lagen te wachten op hun menselijke lading, braken er met grote regelmaat besmettelijke ziekten uit onder de zeelieden. Vooral de zgn. gele koorts eiste een tol. De animo om te varen op de Afrika-vaart was dan ook niet erg groot. In de cafés en de logementen in de Engelse havens en in de vooronders van de schepen werd dat duidelijk gemaakt met het rijmpje:

Beware and take care
Of the Bight of Benin
Few come out
Though many go in

Dat was een beetje overdreven, maar het percentage zeelieden dat tijdens het wachten op de Afrikaanse kust stierf of invalide raakte als gevolg van besmettelijke ziekten, was als percentage veelal hoger dan de Afrikaanse slaven die ze vervoerden. In hun pogingen om bemanningen voor hun schepen compleet te krijgen namen Engelse scheepskapiteins en scheepshandelaren hun toevlucht tot ronselpraktijken. Matrozen werden dronken gevoerd en terwijl ze in ‘kennelijke staat’ verkeerden aan boord gebracht van de slavenschepen die gereed voor vertrek lagen. Op volle zee ontwaakten ze uit hun roes en was er geen weg terug mogelijk.

Verzet tegen de slavenhandel

In het laatste kwart van de achttiende eeuw ontstond in Engeland een beweging die zich ging verzetten tegen de slavernij. Beïnvloed door de ideeën uit het ‘Verlichtingsdenken’ organiseerden groepen burgers bijeenkomsten waar zij zich uitspraken tegen de onmenselijke praktijken van slavenhouders en handelaren. Zij vormden plaatselijke (actie)comités en noemden zich Abolitionisten (afschaffers)
Binnen deze beweging speelden Quakers, een geloofsgroep die hun inspiratie vond in een strikte toepassing van het Christelijke geloof, een belangrijke rol. Eerder uit Engeland gevluchte Quakers stichtten in de zeventiende eeuw in Amerika hechte gemeenschappen. Het lukte hen om aan het eind van de achttiende eeuw slavernij in de noordelijke staten van Amerika (New England), af te schaffen. In Engeland waren het Quakers die in 1783 als eersten een petitie aan het parlement aanboden met het verzoek slavernij af te schaffen.

Thomas Clarkson

Dominee Thomas Clarkson (1760-1846) trad in de voetsporen van zijn overleden vader toen hij in Cambridge ging studeren. In 1785 won hij de eerste prijs met een in het Latijn geschreven essay over de onrechtmatigheid van slavernij. De jonge dominee wilde het geld van de prijs besteden aan een Engelse uitgave van zijn werk. Op zoek naar een uitgever kwam hij in contact met een groep actieve Quakers die probeerde het Engelse parlement te bewegen om de slavernij en de slavenhandel te verbieden.

Thomas Clarkson. Bron: wikipedia.

De Quakers zagen in Clarkson de juiste persoon om hun plannen te realiseren. In 1786 verscheen zijn boek Essay on the Slavery and Commerce of the Human Species Particularly the African. Het boek werd goed ontvangen en maakte Clarkson tot een bekende persoonlijkheid. Mede daardoor besloot hij zich volledig in te zetten in de strijd tegen de slavernij. In overleg met de Quakers en andere abolitionisten werd besloten dat hij zich zou gaan bezighouden met het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens over de aard en de omvang van de mensenhandel. In de winter van 1786/87 begon hij met zijn ‘veldwerk’ door de belangrijkste havens in Engeland te bezoeken.

Hij kwam er in contact met kooplieden en zeelieden die betrokken waren (geweest) bij de Afrika-vaart. Veelal betrof het ex-zeelieden die door ziekten of ongelukken arbeidsongeschikt waren geworden en nu aan de bedelstaf waren geraakt. Naar eigen zeggen sprak hij met ongeveer twintigduizend zeelieden. Hij ontdekte op basis van monsterrollen dat maar liefst de helft van de uitgevaren zeelieden niet terugkeerde. Ongeveer twintig procent stierf aan aandoeningen en van de resterende dertig procent was het lot onzeker. Tijdens zijn onderzoek kreeg hij vaak uit de eerste hand gegevens over het lot van de Afrikaanse slaven die de ongelukkige zeelieden eerder hadden vervoerd.

Society for Effecting the Abolition of Slavery

Hij zocht contact met de rijke industrieel Josiah Wedgewood die zijn met de productie van porselein en aardewerk verkregen kapitaal wilde inzetten in de strijd tegen de slavernij. Ook raakte hij raakte bevriend met Granville Sharp. Die had geprobeerd om behulp van juridische procedures aan te tonen dat slavernij in Engeland verboden was. Samen richtten ze in 1787 de Society for Effecting the Abolition of Slavery op. Als hun belangrijkste woordvoerder wisten ze William Wilberforce aan te trekken, het parlementslid voor de stad Hull.
De nieuwe Society sloot aan op bestaande initiatieven en werd gevormd uit de bestaande lokale comités die op allerlei manieren probeerden het Britse parlement te beïnvloeden. Zo stuurden bewoners van de stad Bridgewater in 1785 al een petitie aan het parlement om de slavernij af te schaffen. Clarkson werd lid van het Londonse comité dat in mei 1787 werd gevormd. Van de twaalf leden van het comité waren er negen Quaker.
Clarkson was één van de drie niet-Quakers. Met steun van Wedgewood introduceerde de Society in oktober 1787 een medaillon met daarop afgebeeld een geketende en biddende slaaf. Onder de afbeelding stond de tekst: ‘Am I not an man and a brother’. De afbeelding op het medaillon zou gaan fungeren als het symbool van de beweging. Het verscheen op talloze artikelen uit de porseleinfabriek van Wedgewood en kreeg mede daardoor algemene bekendheid.

Het anti-slavernij medaillon uit 1787. Bron: wikipedia.

Tight packers en loose packers

Door zijn interviews met de zeelieden had Clarkson een goed beeld gekregen van de wijze waarop Afrikaanse slaven werden vervoerd. Mannen en vrouwen werden, veelal geketend, in gescheiden gedeelten van het ruim opgesloten. Kleine kinderen bleven bij de vrouwen, grote jongens werden bij de mannen ingedeeld. De slaven werden, indien de weersomstandigheden dat toelieten, tijdens de reis regelmatig aan dek gebracht om te luchten en te bewegen. In een rapport dat hij in 1787 opstelde voor de Society schreef hij dat er twee, algemeen gangbare, manieren waren om slaven te vervoeren.

Er waren handelaren die bekend stonden als ‘tight packers’ en er waren handelaren die werden beschreven als ‘loose packers’. In het eerste geval probeerden de handelaren door zoveel mogelijk mensen bijeen te proppen, het maximale aantal verkoopbare slaven over te brengen. Onvermijdelijk stierven er mensen onderweg, maar zo redeneerden de handelaren, het aantal dat het overleeft is ook groter. De tweede categorie handelaren probeerde door minder Afrikanen tegelijk te vervoeren de omstandigheden iets gunstiger te maken om zo de verliespercentages onderweg te drukken. In alle gevallen, zo concludeerde Clarkson, waren de leefomstandigheden voor de Afrikanen echter onaanvaardbaar.

Verbeteren leefomstandigheden slaven

Toen om allerlei economische redenen de spoedige afschaffing van de slavernij door het parlement niet haalbaar bleek, besloot de Society zich in eerste termijn te richten op het verbeteren van de leefomstandigheden van de slaven. William Wilberforce dacht daar anders over. Hij maakte aan de Society kenbaar dat hij als lid van het parlement van plan was in 1788 een voorstel te doen om de slavernij af te schaffen. Dat voornemen leidde tot een verhevigde activiteit binnen de Society.

Twee belangrijke gebeurtenissen kenmerkten de zomer van 1788. In het parlement werd ondanks hevig verzet van sommige leden een voorstel van het lid Sir William Dolben aanvaard. In deze ‘Act’ werd bepaald dat het aantal slaven dat een schip mocht vervoeren werd beperkt door de tonnenmaat van dat schip. Voor de eerste tweehonderd ton gold dat er vijf slaven voor iedere drie ton mochten worden vervoerd. Daarna mocht voor iedere ton een slaaf worden meegenomen. Dat betekende dat een schip van 350 ton 483 slaven mocht vervoeren. De regel werd door de parlementsleden en daarbuiten gezien als een structurele verbetering voor zowel de zeelieden als de menselijke lading van Afrikaanse slaven. De abolitionisten waren er echter niet tevreden mee.
Een tweede belangrijke gebeurtenis was dat het parlement toestemming kreeg om een marineofficier te belasten met het opmeten van slavenschepen. Alleen als men over objectieve feiten beschikte, zo redeneerden de parlementsleden, kon men een goed beeld krijgen van de ernst van de zaak. Kapitein Parrey van de Royal Navy werd naar de belangrijkste haven van waaruit slavenschepen vertrokken gestuurd om opmetingen te doen.
In Liverpool ontdekte hij dat scheepskapiteins om ieder stukje beschikbare ruimte te benutten gedetailleerde plattegronden gebruikten. Op sommige kaarten waren figuren ingetekend. Dat was het geval bij één van de schepen die hij opmat: de Brooks.

Slavenschip Brooks

Het schip van 297 ton werd in 1781 in opdracht van een paar handelaren in Liverpool gebouwd. Het kreeg de naam van één van de eigenaren, Joseph Brooks jr. Nog in het jaar dat het werd gebouwd, maakte het een slavenreis tussen Liverpool, de Goudkust (West-Afrika) waar 650 Afrikanen werden ingeladen en Kingston (Jamaica)

Toen het schip, net als negen andere slavenschepen, werd opgemeten had het vier slavenreizen gemaakt. Op grond van de opmetingen van Parrey kon worden berekend hoeveel ruimte de slaven volgens de nieuwe regel mochten vervoeren.

De hoogte van het dek waar de slaven tijdens de overtocht moesten verblijven bedroeg 172 centimeter. Om meer slaven te kunnen vervoeren bracht de kapitein zogenoemde tussendekken aan. De hoogte van deze tussendekken bedroeg 76 centimeter.
Omgerekend betekende dit dat de Afrikaanse mannen en vrouwen (kinderen werden in de berekening buiten beschouwing gelaten) konden beschikken over:
Lengte van 183 en een breedte van 41 centimeter voor mannen
Lengte van 152 en een breedte van 41 centimeter voor vrouwen
Van belang hierbij is dat mannen veelal twee aan twee aan elkaar werden geboeid hetgeen de bewegingsruimte nog verder beperkte.
Parrey stelde vast dat het schip op grond van de nieuwe regelgeving 430 slaven zou mogen vervoeren, maar dat kon hij zich nauwelijks voorstellen. Dr. Thomas Trotter die eerder als chirurgijn dienst had gedaan op het schip verklaarde echter desgevraagd dat hij er getuige van was geweest dat het schip op twee reizen respectievelijk 600 en 609 slaven had vervoerd.
In 1791 werd het schip gekocht door de Liverpoolse handelaren William Harper en Robert Brade. Zij vergrootten de ladingcapaciteit van het schip tot 319 ton en mochten op grond van de (nog) bestaande regelgeving 453 slaven legaal vervoeren. Voor dat de Slave Carrying Act van 1799 in werking zou treden voerde het schip nog vier slavenreizen uit. Deze nieuwe regelgeving beperkte de capaciteit van het schip tot 400 slaven.

Van prent naar symbool

Zodra de objectieve gegevens van Parrey bekend werden, besloten de abolitionisten van Plymouth deze te gebruiken in de strijd. Zij concentreerden hun actie op het slavenschip Brooks. Zij wilden het publiek wijzen op de praktische gevolgen van de nieuwe regelgeving en daarmee aantonen dat deze niet echt een verbetering was.
Het probleem daarbij was dat het lastig was om een betrouwbaar beeld te geven van datgene dat zich tijdens een zeereis in het ruim van het slavenschip afspeelde. Men wist uit de verslagen van de geïnterviewde zeelieden dat de menselijke lading zeer dicht opeen werd geperst. Desondanks slaagden de Afrikanen er veelal in kleine groepjes te vormen. Taal en of stamverband waren daarbij bindende factoren. In het ruim ondersteunde men elkaar binnen de groep en verdedigde men deze en het eigen territorium tegen andere groepen. Dat was een situatie die zich niet goed in een pakkend beeld liet vastleggen.
Clarkson en zijn comité vonden de oplossing in de illustratieve tekenmethode die in dezelfde periode werd toegepast in de Encyclopedie. Daarbij werden sprekende details en perspectivische correctheid uitgebannen om het instructieve en informatieve gehalte van de afbeelding te vergroten. De abolitionisten sloten daarmee in zekere zin aan bij de getekende ladingkaarten van de slavenkapiteins.

 

De prent werd overgebracht op een pamflet dat het officiële zegel van de Society (de biddende slaaf) droeg. In de tekst bij de prent werd aandacht besteed aan de leefomstandigheden van de Afrikaanse slaven aan boord van de schepen die volgens de tekening als sardines in een blik werden vervoerd. Tevens werd de lezer gewezen op de doelstelling van de Society om in afwachting van de definitieve afschaffing van de slavernij te beginnen met het verbeteren van de leefomstandigheden aan boord.
Er werden vanaf 29 december 1787 ruim 1500 gratis kopieeën verspreid onder parlementsleden en andere belangstellenden. Onder leiding van Clarkson besloot het Londonse comité in april van het jaar 1789 een ‘verbeterde versie’ van de afbeelding van de Brooks uit te brengen. Ditmaal werden er ook dwarsdoorsneden van het schip getoond. Passages uit het boek van Alexander Falconbridge, Account of the Slave Trade on the coast of Africa dat in 1788 was verschenen, gaven de benodigde achtergrondinformatie. Nu was voor het eerst zichtbaar gemaakt hoe in alle hoeken en gaten van een slavenschip de menselijke lading werd gestuwd. De prent sloeg in als een bom en vond gretig aftrek onder het publiek.

The History of the Rise, Progress and Accomplishment of the Abolition of the Slave-Trade

Clarkson publiceerde in 1808 zijn meest bekende werk: The History of the Rise, Progress and Accomplishment of the Abolition of the Slave-Trade by the British Parlement. De prent werd een sprekend onderdeel van het boek. Zijn voorbeeld zou nog door talloze auteurs worden gevolgd.
De prent heeft een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming bij het grote publiek over de leefomstandigheden van slaven aan boord van slavenschepen. Het gegeven dat de afbeelding op gespannen voet stond met de werkelijkheid was niet van belang en heeft niet verhinderd dat deze in de loop van de geschiedenis de status van een symbool kreeg.

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!