Slavenhandel op de Goudkust

Het begin van de Nederlandse slavenhandel is te vinden in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De periode dat de Republiek door middel van de WIC voet aan de grond probeerde te krijgen in zowel Brazilië als op de Goudkust, het huidige Ghana. Slaven uit West-Afrika werden als noodzakelijk gezien voor het bewerken van de suikerplantages in Brazilië. Een blik op de beginperiode van de slavenhandel op de Goudkust.

WIC in West-Afrika

Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw was de monopoliepositie van Portugal op de Afrikaanse handel aangetast door Franse, Engelse en Nederlandse kooplieden. Met het oprichten van de West-Indische Compagnie in 1621 werd ook de oorlog met Spanje en Portugal hervat. De eerste WIC expeditie vertrok in 1623. In 1624 nam de WIC het beheer van enkele Nederlandse bezittingen in Afrika van de Staten-Generaal over. De Portugezen waren weliswaar onbeduidend in de productenhandel geworden, maar militair gezien waren ze nog steeds de sterkste macht op de West-Afrikaanse kust. Het fort São Jorge da Mina, dat men in 1597 niet had kunnen innemen, werd als een groot obstakel gezien voor het uitbreiden van de Nederlandse macht op de Goudkust.

Het grote plan

Met het ‘groot desseyn’ werd beoogd dat zowel de Portugese posities in Brazilië als hun posities in West-Afrika veroverd zouden worden. Er werd besloten om het Portugese slavenstation Loanda in Angola aan te vallen, omdat São Jorge da Mina te sterk werd geacht. Bovendien zou op deze manier de slavenaanvoer naar Brazilië en naar de Spaanse koloniën geblokkeerd worden. De WIC ambieerde echter zelf nog geen positie in de slavenhandel.

Kasteel Elmina (links) en fort Conraadsburg (rechts). Bron: wikipedia.

De pogingen van een eskader onder Filips van Zuylen en het deel van de vloot van Jacob Willekens dat onder leiding van Piet Heyn naar de Afrikaanse kust voer om Loanda in te nemen, faalden. Zonder te weten dat de aanvallen op Brazilië en West-Afrika mislukt waren, stelden de bewindhebbers van de WIC in 1625 de tweede fase van het ‘groot desseyn’ in werking. Zij stuurden een vloot om São Jorge da Mina, ofwel Elmina, te veroveren. Deze onderneming mislukte eveneens.

WIC op de Goudkust

Pas in de jaren dertig van de zeventiende eeuw zou de WIC er in slagen om de Portugese bezittingen op de Goudkust in te nemen. In 1637 werd Elmina onderworpen door Johan Maurits en in 1642 viel het laatste Portugese bolwerk te Axim. De WIC had tussen 1625 en 1637 haar handel op de Goudkust uitgebreid en factorijen in Accra en Komenda geopend. Goud en ivoor waren de belangrijkste goederen en in mindere mate was verfhout van belang. Vanaf het moment dat de WIC gebieden in Brazilië bezat, begon de slavenhandel een grotere rol te spelen, omdat slaven voor de suikerplantages nodig waren.

Slavenhandel

De WIC ging zich pas op grote schaal met slavenhandel bezighouden vanaf 1636, toen de suikerverbouwende gebieden in de Braziliaanse provincies Pernambuco, Itamaracá en Paraiba onder controle waren. Het verlies van Nederlands Brazilië in 1654 zou er toe leiden dat de WIC in de tweede helft van de zeventiende eeuw nieuwe afzetmarkten voor haar slaven ging zoeken, die gevonden werden in de Caribische eilanden en de Spaanse koloniën. De Compagnie zou tot het eind van de zeventiende eeuw dominant blijven op de Goudkust, maar de voortdurende concurrentie van de Engelsen, Zweden en Denen vormde een bedreiging voor haar handel.

Personeel op de Goudkust

“The white man’s grave”, zo kenschetst historicus Ph. Curtin West-Afrika. Afrika was in de zeventiende en achttiende eeuw een van de ongezondste plaatsen ter wereld. Aangezien het zware werk in het Atlantisch gebied onderhevig was aan ongezonde klimatologische omstandigheden en de lagere functies matig betaald werden, was het moeilijk om genoeg personeel te vinden. Het kostte minder moeite om voor de hogere functies, zoals gouverneur of opperkoopman, personeel te vinden, omdat die functies beter betaald werden. Bovendien zagen de hogere functionarissen meestal wel kans om bij te verdienen met lucratieve privé-handel. De meeste WIC dienaren waren echter werkzaam als eenvoudig matroos, soldaat, ambtenaar of koopman.

Bewindhebbers

Binnen de vijf kamers van de WIC waren de bewindhebbers verantwoordelijk voor het door de Heren Negentien vastgestelde beleid. De kamers hielden hun eigen administratie en boekhouding bij en stuurden op gezette tijden rekeningen en overzichten naar de andere kamers. In verhouding met de grootte van een kamer was een bewindhebber lid van één of meerdere commissies die met bepaalde taken waren belast. Ten tijde van de eerste WIC waren er onder andere commissies voor het beheer van compagniewerven, het uitrusten en bevoorraden van schepen, de inkoop van handelsgoederen en de verkoop van retourwaren. Zij waren tevens verantwoordelijk voor de personeelsvoorziening.

Raad in Elmina

Het hoogste gezag van de WIC in Afrika berustte na 1637 bij de Raad in Elmina. De Raad bestond uit: de directeur-generaal, die de rol van voorzitter had, de opperkoopman, de fiscaal (verantwoordelijk voor het opsporen en berechten van misdadigers), de hoofden van de belangrijkste plaatsen op de kust (in 1645 Elmina, Nassau en Accra), de equipagemeester en de vaandrig. Bij vertrek naar de Republiek of overlijden van één der raden benoemde de directeur-generaal een opvolger.

Beslissingen moesten officieel met een meerderheid van stemmen worden genomen. Bij een gelijk verdeeld aantal stemmen verkreeg de directeur-generaal een dubbele stem, zodat hij een besluit kon forceren. In de praktijk hadden de raden echter niet veel macht, omdat de directeur-generaal verregaande juridische, militaire en handelsbevoegdheden had. Hij bezat een bijna absoluut gezag. De functie van directeur-generaal was dus zeer belangrijk en meestal werd dan ook één van de raden tot deze functie bevorderd, omdat het voor een goed beleid nodig was dat de directeur-generaal de situatie ter plaatse kende en bestand was tegen het ongezonde klimaat.

Tussen 200 en 500 man

Het aantal personeelsleden dat zich in Afrika bevond wisselde van jaar tot jaar sterk. Volgens overgeleverde monsterrollen fluctueerde de bezetting van forten, factorijen en kustschepen tussen de tweehonderd en vijfhonderd man. Deze schommelingen in het personeelsbestand waren het gevolg van het wisselende aanbod van arbeidskrachten in de Republiek enerzijds en de grote sterfte van Europeanen in West-Afrika anderzijds.

Ten tijde van de bestuursoverdracht van directeur-generaal Jacob Ruychaver aan de nieuwe gezagsdrager Jacob Adriaensz. van der Wel, in november 1645, bestond de bezetting van de Nederlandse handelsposten en forten op de Goudkust uit ongeveer 255 personeelsleden, ondersteund door ongeveer 585 slaven. Het merendeel van het personeel van de Compagnie bestond uit soldaten, die onder bevel stonden van de vaandrig. Deze voerde ook het directe bevel over het garnizoen van Elmina.

Michael Hemmersam op de Goudkust

Michael Hemmersam was een soldaat in dienst van de WIC die tussen 1639 en 1645 deel uitmaakte van het garnizoen in Elmina. Hij was een van de typische Duitse huurlingen die vaak dienst namen bij de WIC en VOC. Zijn weduwe Apolonia Hemmersam liet het reisverslag dat hij schreef over zijn belevenissen in 1663 postuum uitgeven door Paulus Fürst in Neurenberg. Het werk werd in de twintigste eeuw nogmaals gedrukt door de Linschoten Vereniging. Toen hij in 1639 aan boord ging van een WIC schip was hij twintig jaar oud. Michael kwam uit Neurenberg en was voor hij soldaat werd een goud- en koperbewerker. Verder weten we niet veel van hem.

Het schip met de Duitse WIC soldaat Michael Hemmersam aan boord legde in november 1639 aan bij het nieuwe Nederlandse hoofdkwartier op de Goudkust. Op dit schip, de Kameel, bevond zich ook Jacob Ruychaver die tot seconde was benoemd van de toenmalige directeur-generaal Arent Jansz. van Amersfoort. De laatste had in 1639 het roer overgenomen van de aftredende Van Yperen. Historicus K. Ratelband heeft in de bronnen terug kunnen vinden dat Van Amersfoort in 1625 als commies aan de Goudkust diende en dat hij in 1629 nog steeds aanwezig was op de kust. Hierna moet hij op een niet nader bekend moment naar de Republiek zijn teruggekeerd, tot hij in maart 1639 door de Heren Negentien werd verzocht om het bewind van Nicolaes van Yperen over te nemen. Hij arriveerde in juli van dat jaar te Elmina. In januari 1641 kwam Van Amersfoort net als veel van zijn voorgangers te overlijden, waarna Ruychaver het voorlopige bestuur op zich nam. De bewindhebbers van de WIC beslisten later dat hij de nieuwe directeur-generaal van de Goudkust werd. Hij zou deze functie in november 1645 overdragen aan Jacob Adriaensz. Van der Wel.

Garnizoen

Slavenhandel op de Goudkust

Kasteel Elmina in de zeventiende eeuw, uit Atlas van der Hem. Bron: wikipedia.

In de tijd dat Michael als soldaat in het garnizoen van Elmina diende heeft hij deel uitgemaakt van de militaire expeditie die onder direct bevel van Jacob Ruychaver in 1641 het Portugese fort in Axim veroverde, dat op ‘Cabo de Trespunctus’ (tegenwoordig heet dit cape three points ) ligt. Tot zijn vertrek op 15 januari 1645 bleef Michael Hemmersam in het fort van Elmina gelegerd. Uit zijn reisverslag blijkt, met uitzondering van een beschrijving van de militaire expeditie naar Axim, niet zo veel over zijn persoonlijke leven en levensomstandigheden tijdens zijn verblijf in West-Afrika.

Dankzij de dagregisters van twee directeuren-generaal, Jacob Ruychaver en Jacob Adraensz. van der Wel, is het een en ander bekend over de situatie te Elmina, van 19 januari 1645 tot 22 april 1646. Historicus Ratelband heeft geïnventariseerd wat de bezetting van het kasteel Elmina was toen het op 1 december 1645 door Ruychaver over werd gedragen aan Van der Wel: de directeur-generaal, de fiscaal, vier man handelspersoneel, een garnizoen van negenenzestig man, negen handwerkslieden bestaande uit de equipagemeester en acht man, één ziekentrooster en honderd vierentachtig slaven. Op dat moment was Michael niet meer aanwezig in Elmina, maar deze bezetting zal ongeveer overeenkomen met de situatie tijdens zijn diensttijd.

Beeldvorming over zwarten op de Goudkust

Hemmersam gaat uitgebreid in op de achtergronden van de zwarte bevolking op de Goudkust. Hij schrijft niet over de zwarte dienaren die op de Nederlandse factorijen werkten, maar vooral over de vrije Afrikanen op de Goudkust. Hij heeft bepaalde vooroordelen over deze mensen, maar beschrijft ze tegelijkertijd soms verrassend objectief.

De negers in dit land zijn, als volwassene, sterk gebouwd, tamelijk lang met goede proporties, hebben ronde gezichten, witte ogen, grote wenkbrauwen, kleine oren, zwart kroeshaar. Ik heb zolang ik op de Goudkust was geen enkele neger gezien die geel of rood haar had.

Uit deze omschrijving van het uiterlijk van zwarten komt naar voren dat Hemmersam oog had voor esthetische kenmerken in de verschijning van deze mensen. Hij gaat nog verder in op de uiterlijke kenmerken van zwarten. Zij hebben een grote mond, met grote dikke lippen en tanden zo wit als ivoor. Hemmersam beschrijft een houten instrument dat door de zwarten werd gebruikt om hun tanden schoon te houden. Volgens hem werkt dit goed: hij heeft nog nooit gehoord van negers met tandpijn. Sommige zwarten vijlden hun tanden, zodat ze spits werden. Voor de platte, brede neus die zwarte mensen hebben, geeft hij een wonderlijke verklaring: “hun neuzen drukken ze in hun jeugd breed”. Dit verhaal deed in de zeventiende eeuw wel meer de ronde.

Zwart met een witte kern

Zwarten hadden verder brede schouders, grote handen, lange benen, brede voeten en lange tenen en vingers. Vaak hadden zij geen haar op hun hoofd, omdat zij dat bij elkaar afsneden. Michael Hemmersam is van mening dat de negers dan wel van buiten hard en zwart waren, maar van binnen zacht en wit. Verder is het volgens hem zo dat zij naarmate ze ouder werden een zwartere huidskleur kregen. Alleen op het moment dat zij de zeventig- of tachtigjarige leeftijd bereikten, verloren zij hun zwarte kleur. Hemmersam is positief over de hygiëne van de zwarten. Zij roken naar palmolie, waar zij zich vaak mee insmeerden en hielden hun lijf schoon. Aangezien zij door ongedierte geplaagd werden, wasten zij zich vaak. Verder schrijft Hemmersam:

Ze hebben ook goede ogen, kunnen een schip op zee eerder zien aankomen dan de Hollanders, zijn overal handig in, gezond en goedgemutst.

De zwarten hebben in de ogen van Hemmersam dus zeker goede eigenschappen.

Aan de andere kant signaleert hij ook eigenschappen van de zwarten waar hij minder over te spreken is. Zo hadden zij meerdere vrouwen, pleegden zij ontucht, waren ze leugenachtig en liepen zij geheel of gedeeltelijk naakt. Op verschillende plaatsen gingen de zwarten wel gekleed. Zij waren echter wel altijd blootsvoets. Over hun consumptiegewoonten merkt Hemmersam het volgende op:

Wat eten en drinken betreft zijn zij begerig en weten zij geen maat te houden.

Portret van een vrije Afrikaan door Albert Eckhout (1610-1665). Zijn zwaard is van een type dat in Fetu, een koninkrijk aan de Goudkust gedragen werd. Bron: wikimedia commons.

Politiek en bestuur

Er ontstonden conflicten tussen Nederlanders en andere Europeanen en de Afrikanen op de kust, omdat zij verschillende opvattingen over het bezit van grond hadden. In de ogen van de Afrikanen was grond in bezit van de gemeenschap en dus niet van individuen. Het hoofd van een stam bezat de grond niet, maar beschikte er namens de gemeenschap over. De Europeanen die van de Afrikanen toestemming kregen om forten en woonplaatsen op de kust te bouwen, waren van mening dat het gebied dat ze toegewezen kregen uitsluitend hun eigendom was en dat ze ook autoriteit hadden over de zwarte mensen die er woonden. Volgens de Afrikaanse zienswijze hadden ze het echter slechts in bruikleen.

Verdragen tussen Nederlanders en Afrikanen konden hierdoor voor misvattingen zorgen. De WIC betaalde Afrikaanse heersers voor het gebruik van de grond. Voor een deel werden er vaste bedragen vastgesteld en verder werden er geschenken aan de Afrikaanse koningen gegeven. Dit betekende echter niet dat de grond daardoor individueel bezit van de Nederlanders werd.

De Nederlanders raakten verwikkeld in de Afrikaanse politiek in het gebied. De historicus Kwame Daaku stelt dat de Nederlanders, nadat zij de West-Afrikaanse bezittingen van de Portugezen veroverd hadden, een actieve machtspolitiek gingen voeren op de Goudkust. Zij bemoeiden zich met de lokale politiek en waren van mening dat ze rechterlijke en politieke autoriteit hadden over de mensen rond hun nederzettingen.

Jan Fordiis

In het reisverslag van Hemmersam is een voorbeeld te vinden van Nederlandse bemoeienis met de lokale politiek. Zo beschrijft Hemmersam hoe de ontvoering van ene ‘Jan Fordiis’ een conflict met de koning van Fetu tot gevolg had. Waarschijnlijk was hij een zwarte koopman wiens invloed belangrijk was voor de Nederlanders. In de zeventiende eeuw ontstond namelijk een nieuwe klasse van kooplieden op de Goudkust: mulatten en Afrikanen speelden steeds vaker een belangrijke rol in de handel tussen de Europeanen en Afrikanen. Hun namen werden vaak ge-europeaniseerd door de Europeanen en zij namen zelf ook Europese namen aan. Hemmersam stelt dat de zwarten onder invloed van de Portugezen regelmatig christelijke namen aan hun kinderen gaven.

Fordiis was een zwarte vriend van directeur-generaal Jacob Ruychaver. Op last van een raadsman van de koning van Fetu, ‘Hennequa’ genaamd, werd hij gevangen genomen en landinwaarts afgevoerd. Volgens Hemmersam waren de ontvoerders van plan om hem te onthoofden. Daarop stuurde Ruychaver een bericht naar de koning van Fetu, dat inhield dat de laatste Fordiis moest vrij laten, omdat anders de handelsbetrekkingen verbroken zouden worden. De koning verontschuldigde zich door te zeggen dat niet hij, maar zijn raadgever Hennequa deze man gevangen hield. Hij zou kijken wat hij kon doen.

Hennequa

Hennequa was echter, in de woorden van Hemmersam, “(…) een trotse, brute, maar tegelijkertijd rijke, neger die ongeveer 400 negers in zijn macht had”. Hij was nog steeds van plan om Jan Fordiis te onthoofden en dreigde de weg naar het waterreservoir te versperren dat een mijl van kasteel Elmina aflag en waar de Nederlanders dagelijks water pleegden te halen. Hemmersams compagnie, bestaande uit vijftig man en vergezeld van drie compagnieën zwarte soldaten, werd erop uit gestuurd om die weg te ontruimen, maar dit lukte niet, omdat hun tegenstanders zich in het bos verscholen. Daarop keerden ze terug naar het kasteel.

Er werd een akkoord gesloten tussen de directeur-generaal en Hennequa: de laatste zou de gevangene en een pond goud sturen en in ruil daarvoor kreeg hij een os. Die os werd onder begeleiding van zes soldaten, onder wie Hemmersam, naar hem gebracht, waarna hij met drie saluutschoten geëerd werd. De huizen die Hemmersam daar aantrof waren van leem en met stro bedekt. Binnen stond een afgodsbeeld. Zijn collega-soldaten en hij verbleven hier drie dagen, alvorens ze naar Elmina terug gingen.

Gekozen koningen

De zwarte koningen werden volgens Hemmersam gekozen door hun onderdanen en als zij niet een deel van hun rijkdommen deelden met hun volk, kon het volk hen vervangen door nieuwe vorsten. De koningen gaven dan ook vaak gratis maaltijden aan hun ondergeschikten. De kleding van de koning verschilde weinig van die van zijn onderdanen. Deze was alleen van meer versieringen voorzien en beter van kwaliteit. Een vorst nam zoveel vrouwen als hij wilde. De Afrikaanse vorsten worden door Hemmersam als twistziek neergezet:

Zij voeren onderling vaak oorlog om het minste of geringste en veel van de koningen zijn afgunstig en trots.

Na de koning stond de hofmeester het hoogst in aanzien. Hij zag toe op de inkomsten en uitgaven van de koning. Er waren vele edelen, die gewoonlijk niet rijk waren. Als een jonge man over een pond goud beschikte, melde hij zich bij zijn stamhoofd en werd hij een hoofdman. Later zou hij dan tot edelman gemaakt worden.

Handel

Over de handel van en met de zwarte bevolking wordt door Hemmersam het een en ander geschreven. Zwarten kochten messing, tin en koper van de Nederlanders, om bijvoorbeeld bekers van te maken. IJzer werd gebruikt voor wapens, stoffen voor kleding en de zwarten versierden zich met kralen van Venetiaans glas. Deze kralen leken op glas en werden in de zeventiende eeuw veel gevraagd op de Goudkust, zodat zij kostbaar waren. Zij stonden ook wel bekend als ‘Acori’ kralen, genoemd naar Assini Acori waar zich een kralenindustrie ontwikkelde. Deze plaats lag ten oosten van de Goudkust. In de loop van de zeventiende eeuw werden er op de Goudkust, in plaatsen als Accra en Akwamu, ook ‘Venetiaanse’ kralen geproduceerd.

Op hun beurt verkochten de bewoners van de Goudkust weer producten aan de Europeanen. Het merendeel van hun handel bestond uit vissen. De zwarten wisten veel van vissen en hielden zich van jongs af aan met visvangst bezig. Goud was ook een belangrijk product. Het beste goud werd aangevoerd uit Ashanti. Bij het verhandelen van het goud brachten slaven, volgens Hemmersam, eerst de andere goederen uit de schepen aan land, waarna zij de goederen op hun hoofd naar Ashanti vervoerden. Als loon voor dit werk kregen de arbeiders slechts dagelijks een brood. Hemmersam is er verbaasd over dat zij desondanks vrolijk zijn:

Ondanks de zware arbeid en het weinige eten, houden zij toch van het leven en zijn zij vrolijk, zingen en springen in het rond, zodat men hen niet zonder verwondering gade kan slaan.

Het is allerminst zeker dat het hier daadwerkelijk om slaven ging. Volgens historicus Kwame Daaku was het een onjuiste aanname van Europese toeschouwers dat de meeste slavenhandelaren uit het binnenland zelf betrouwbare slaven waren die er door hun meesters op uit gestuurd werden. Er waren zeker slaven die namens hun eigenaren in de slavenhandel deelnamen, maar die taak kon ook worden uitgevoerd door vrije Afrikanen. Goederendragers, zoals Hemmersam die ook beschrijft, werden vaak door de Afrikaanse vorsten in dienst genomen en hoefden dus niet per definitie slaven te zijn.

Slavernij onder Afrikanen

Hemmersam schrijft over de slavernij onder de Afrikanen. De zwarten, ofwel ‘Mohren’ zoals Hemmersam ze noemt, wilden zich onderscheiden van hun lijfeigenen. Daarom wensten zij geen ‘Mohren’ genoemd te worden, maar ‘Negro’ of ‘Pretto’ (Portugees voor zwart). Volgens hen was een moor namelijk “(…) niet meer dan een lijfeigene of ‘catyff’, en daardoor een slaaf die niet goed bij zijn hoofd is.”

Er waren verschillende manieren waarop de zwarten anderen tot slaaf maakten. Zo werden misdadigers slaven, maar het kwam ook voor dat ouders hun kinderen als slaaf verkochten omdat zij hen niet konden voeden. Verder gebeurde het dat de zwarten een slaaf die ongehoorzaam was geweest, verkochten aan de Nederlanders. Hemmersam geeft aan dat een dergelijke slaaf vaak niet begreep dat hij verkocht was. De slaaf was van mening dat hij met goederen weer terug naar zijn zwarte meester zou gaan, maar in plaats daarvan kreeg hij kettingen om zijn benen en werd hij op water en brood gevangen gezet. Op het moment dat er een schip arriveerde dat Brazilië als bestemming had, werd hij ingescheept om in dat land verkocht te worden en zijn leven te slijten als slaaf op de suikerplantages. Sommige slaven pleegden verzet tegen hun lot door in hongerstaking te gaan tot de dood er op volgde.

Slavernij bestond al lang voordat de Europeanen zich op de Goudkust lieten zien. Schulden, krijgsgevangenschap en misdrijven voorzagen de rijken van slaven. Het verkopen van slaven gebeurde echter slechts incidenteel en onregelmatig, omdat de mensen zich normaal gesproken niet opwierpen als slavenhandelaren. Slaven maakten deel uit van de huishouding en familie van hun eigenaren.

Producten

De Europeanen introduceerden een ander soort slavernij op de Goudkust: in de transatlantische handel werden slaven als producten gezien. De intensivering van de slavenhandel in de loop van de zeventiende eeuw ging niet voor niets hand in hand met het ontstaan en de groei van nieuwe politieke entiteiten, zoals Denkyira, Akwamu en Asante, in de beboste regionen van de Goudkust. Er was namelijk veel organisatie nodig om op grote schaal slavenhandel te kunnen drijven. De Europeanen werden voornamelijk van slaven voorzien door middel van oorlogvoering tussen Afrikaanse staten en overvallen. Andere manieren om mensen tot slaaf te maken, zoals Hemmersam beschrijft, bestonden ook, maar die methodes waren niet voldoende om in de grote vraag naar slaven te kunnen voorzien.

Bloei en ondergang van de Nederlandse slavenhandel

Het monopolie op de Afrikaanse vaart was heel belangrijk voor de WIC. Sinds 1621 had de Compagnie al geprofiteerd van de lucratieve goud- en ivoorhandel op de Goudkust. Economisch gezien zouden deze Afrikaanse producten het belangrijkst blijven. Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw begon de slavenhandel echter in toenemende mate de goederenhandel te verdringen. Een groot deel van de capaciteit van de WIC werd aangewend voor de slavenhandel. Deze werd gestimuleerd door de toenemende vraag naar slaven van de Franse en Engelse suikereilanden in het Caribisch gebied.

Daarnaast voorzagen de Nederlanders het Amerika van Spanje van slaven via de assientista’s, de bezitters van het asiento op die slavenhandel, al had de Republiek dat contract op een korte periode na zelf nooit in handen gehad. Het Caribische eiland Curaçao dat sinds 1634 in het bezit van de WIC was, zou een belangrijke stapelmarkt voor de slavenhandel in het Atlantisch gebied worden.

De eerste verlenging van het octrooi van de Tweede WIC (1674-1791) in 1700 leverde nog weinig problemen op, maar daarna zou de handel van de WIC sterk achteruit gaan. Na de Spaanse successieoorlog die eindigde in 1713, verloor de WIC de slavenhandel via het asiento definitief, omdat het door de Engelsen was overgenomen. De overige handel op West-Afrika werd wegens de hevige concurrentie van andere Europeanen tevens aangetast.

Smokkel en verlies

Daarnaast werd de handel van de Compagnie schade toegebracht door smokkelaars, de zogenaamde ‘lorrendraaiers’. In 1730 kwam een herziening van het octrooi tot stand, waarbij de WIC slechts het alleenrecht op de slavenhandel in Suriname, Essequibo en Berbice behield. Tot 1730 werden nog illegaal vele slaven via Curaçao naar de Spaanse koloniën gebracht, maar in 1734 werd de slavenhandel geheel opengesteld.

Na 1738 investeerde de WIC helemaal niet meer in deze handel. Het verlies van haar laatste grote handelsmonopolie had tot gevolg dat de WIC voor de rest van haar bestaan slechts een beheersorganisatie was. De toenemende verliezen van de WIC in de achttiende eeuw in combinatie met de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) leidden tot haar ondergang in 1791. De slavenhandel werd pas in 1814 officieel afgeschaft. Willem I ondertekende namens Nederland een verdrag dat door Engeland was opgesteld.  Het zou echter nog 49 jaar duren voor de slavernij ook in de praktijk echt werd afgeschaft in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Dit is de afschaffing die wordt herdacht op 1 juli 2013.

Literatuur

Boogaart, Ernst van den, ‘The Dutch participation in the Atlantic slave trade, 1596-1650’, in: Pieter Emmer, The Dutch in the Atlantic economy. 1580-1880 (Alderschot 1998)

Daaku, Kwame Yeboa, Trade and politics on the Gold Coast 1600-1720. A study of the African reaction to European trade (Oxford 1970)

Heijer, Henk den, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994)

Hemmersam, Michael, ‘West-Indianische Raißbeschreibung’, in: S.P. l’Honoré Naber, Reisebeschreibungen von Deutschen Beamten und Kriegsleuten im Dienst der Niederländischen West- und Ost-Indischen Kompagnien 1602-1797, I (Den Haag 1930)

Paasman, Bert, ‘Mens of dier. Beeldvorming over negers in de tijd voor de rassentheorieën’, in: Vreemd gespuis (Amsterdam 1987)

Postma, Johannes Menne, The Dutch in the Atlantic slave trade 1600-1815 (Cambridge 1990)

Ratelband, K., Vijf dagregisters van het kasteel São Jorge da Mina (Elmina) aan de Goudkust (Den Haag 1953)

Wachelder, Tim, Avonturen in Brazilië en op de Goudkust. Vier Duitsers in dienst van de WIC (1623-1645) (doctoraalscriptie Radboud Universiteit Nijmegen 2004)

Tim Wachelder

Tim Wachelder studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in Europese Expansiegeschiedenis. Behalve over koloniale geschiedenis schrijft hij ook over militaire, culturele en Nijmeegse geschiedenis. Sinds 2007 is hij webredacteur bij Historiën.

More Posts

Schrijf je in voor TOEN!