Stadhouders in de Nederlanden

In Stadhouders in de Nederlanden van Holland tot Vlaanderen 1448-1879 zet Arnout van Cruyningen de dragers van dit bijzondere ambt op een rij.

 

In de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd was de stadhouder of Lieu-tenant een voorname functie. De essentie van een ‘stadhouder’ is dat hij een plaatsvervanger was. De werkelijke politieke macht lag niet bij hem maar bij een vorst. De Nassaus slaagden erin om een geheel eigen invulling te geven aan dit ambt. Zeer tegen de zin van de vorst in.

Willem van Oranje en Filips II

Willem van Oranje stelde in 1567 zijn functie als stadhouder van de Spaanse koning Filips II ter beschikking. In de afgelopen jaren was de spanning in de Nederlanden opgelopen en had Willem zich ontpopt tot woordvoerder van de adellijke oppositie. Dus dat Willem ‘Den koning van Hispanje altijd had geëerd, moeten we met een korrel zout nemen. De band die er nog tussen de koning en zijn plaatsvervanger was, was een fictieve. Uiteindelijk werd de band volledig verbroken: “In 1580 deed Filips II Willem van Oranje in de ban en verklaarde hem vogelvrij.”

Geen vorst en geen onderdaan

Willems zonen Maurits en Frederik-Hendrik en hun opvolgers legden zelfs geen verantwoording meer af aan een vorst. Regeerden zij dan zelfstandig? Nee. Dat zou te simpel zijn. De Republiek kende een complex staatsbestel en de rol van stadhouder daarin was op zich ook eigenaardig. Zoals de 19e-eeuwse historicus Robert Fruin opmerkte, was de stadhouder:

“Geen vorst en geen onderdaan of beiden tegelijk: hij stond onder, naast en boven de Staten.”

Drie perioden

Arnout van Cruyningen heeft de dragers van dit bijzondere ambt op een rij gezet in Stadhouders in de Nederlanden van Holland tot Vlaanderen 1448-1879.

Hij onderscheidt 3 perioden:

  • De tijd waarin een veelheid van families in een veelheid van gebieden Bourgondische en Habsburgse vorsten dienden als stadhouders.
  • Een overgangsperiode waarin aanvankelijk namens maar gaandeweg tegen de Spaanse koning werd gehandeld. Ook een periode dat het stadhouderschap een één-familiekwestie werd. Vanaf 1589 traden “alleen Nassaus, en in Holland, Zeeland en Utrecht uitsluitend de prinsen van Oranje op als stadhouder.”
  • De tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het stadhouderschap was ” een positie die kon worden beperkt of versterkt, een ambt dat men lange tijd ook onbezet kon laten.”

Luxemburg

Na de Franse Tijd kwam het erfstadhouderschap niet terug. Nederland kreeg een koning. Een Oranje-Nassau. Interessant is het slothoofdstuk over prins Hendrik die in Luxemburg als plaatsvervanger van de koning optrad. Met zijn dood in 1879 kwam een -voorlopig?- einde aan het stadhouderschap.

Politiek

Zoals de auteur aanduidt maakt het ambt van stadhouder sterke ontwikkelingen door. Door deze flexibiliteit houdt de functie eeuwen stand. Eeuwen waarin de stadhouders in het centrum van de Nederlandse politiek stonden die mede vormgaven. Een conclusie over die rol had een nuttig slotwoord geweest.

De inleidende teksten en biografieën zijn informatief en prettig leesbaar. De chronologie (in jaartallen), literatuurlijst en lijsten met vorsten en stadhouders maken het een overzichtelijk vertrekpunt om dit boeiende onderwerp verder te bestuderen.

Arnout van Cruyningen,

Stadhouders in de Nederlanden van Holland tot Vlaanderen 1448-1879

(Utrecht 2017)

ISBN 9789401909235, € 19,99, 240 p.

Uitgeverij Omniboek 

Leon Mijderwijk

Leon Mijderwijk (1975) studeerde voor Leraar Geschiedenis 2e graads aan de HU en deeltijd Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Zijn aandacht gaat uit naar de vroege middeleeuwen, in het bijzonder van Engeland. Hij schreef artikelen en recensies voor Westerheem, Archeologie Magazine, So British & Irish, Muntkoerier en Filatelie. Leon is redactiemedewerker van het Detectormagazine en Historiën-redacteur. Hij onderhoudt contact met diverse uitgeverijen, archeologen en historici.

More Posts

Historiën Twitter
Schrijf je in voor TOEN!