Twaalf opmerkelijke Britse oorlogsfeiten

Hier zijn twaalf verrassende feiten over het Britse leger tijdens Eerste Wereldoorlog, die je waarschijnlijk niet wist. 

1. Een explosie op het slagveld in Frankrijk werd in Londen gehoord

Terwijl er hard gevochten werd in de loopgraven boven de grond, woedde er onder de grond een heel andere strijd. Groepen mijnwerkers waren geregeld bezig om via tunnels onder de grond, soms op tientallen meters diepte, grote kamers vol met explosieven aan te leggen, om op die manier de hele vijandelijke stelling in een keer op te blazen. De grootste ontploffing vond plaats in in Mesen in België, waar negentien ondergrondse mijnkamers vol met explosieven vrijwel tegelijkertijd ontploften. Een groot deel van de Duitse frontlinie werd vernietigd, en de explosies waren tot in Engeland hoorbaar. Het verhaal gaat dat de Britse premier het zelfs hoorde, op zijn kantoor in Downing Street.

hawthorn_ridge

De Hawthorn Ridge-mijn wordt opgeblazen tijdens de eerste dag van het Somme-offensief, 1 juli 1916. bron:wikimedia commons

2. Journalisten waren hun leven niet zeker

Een handvol journalisten riskeerden hun leven om te rapporteren over de realiteit van de oorlog. Ze werden zowel door het leger als de regering met argusogen bekeken, want de vrees bestond dat journalisten informatie vrijgaven, buiten de censuur van het leger om, die mogelijk interessant kon zijn voor de vijand. De Britten verboden journalisten al vrij snel verslag te doen vanaf het front. Men zag het als heulen met de vijand.  Ze konden voor hun werk zelfs de doodstraf krijgen.

3. Wekelijks werden 12 miljoen Britse brieven aan het front bezorgd

Het bezorgen van een brief was aan het begin van de twintigste eeuw goed geregeld, ook aan het front. Een brief deed er slechts twee dagen over om van Groot-Brittannië aan het front in Frankrijk te komen. De reis begon in speciale sorteerdepots in Regent’s Park. Daarna werden ze verscheept naar de loopgraven. Tegen het einde van de oorlog hadden twee miljard brieven en 114 miljoen pakketten hun weg gevonden naar de Britse soldaten aan het front.

4. Vrouwen worden geel

Omdat veel mannen aan het front vochten, werden veel Britse vrouwen ingezet in de industrie, onder andere in de munitieproductie. Ongeveer een miljoen vrouwen werkten lange dagen in slechte omstandigheden, vaak met chemische stoffen. Vrouwen die met het hoogexplosieve TNT werkten, werden kanaries genoemd. Door de blootstelling aan bepaalde chemicaliën kreeg hun huid langzaam maar zeker een gele kleur.

5. Uitvinding van de plastische chirurgie

De shrapnelgranaat, die na ontploffen een regen van staalsplinters verspreidde, zorgde voor veel verwondingen aan het gezicht van veel soldaten. De verwrongen stukjes metaal konden in het ergste geval een heel gezicht van de schedel trekken. De Britse chirurg Harold Gillies was geschokt na het zien van de vreselijke verwondingen van sommige soldaten. Hij wilde de slachtoffers helpen en begon te experimenteren met gezichtsreconstructies.

6. De wereldberoemde dichter Wilfred Owen was onbekend aan het einde van de oorlog

Wilfred Owen is een van de bekendste dichters van de eerste Wereldoorlog, maar toen hij stierf aan het front, net een week voor het einde van de oorlog, was hij vrij onbekend. Owen haatte en verafschuwde de oorlog en bracht dat tot uiting in zijn gedichten. Zelfs aan het einde van de oorlog was zo’n openlijke afkeer van de oorlog niet gangbaar. Pas in de jaren ’60 van de twintigste eeuw besloot de literaire elite dat Owen’s weergave van de oorlog authentiek was en ging men zijn werk uitgeven.

Wilfred_Owen

Wilfred Owen….een onbekende tijdens de oorlog. Pas ver na de oorlog rees zijn ster. bron: wikimedia commons

7. De jongste Britse soldaat was 12 jaar oud

Sidney Lewis was net 12 jaar oud, toen hij loog over zijn leeftijd en zich aanmeldde voor het Britse leger. Hij was niet alleen: in totaal hebben duizenden enthousiaste minderjarige jongens zich aangemeld, waarbij veel van hen aan hun einde kwamen in de modder van het slagveld, samen met hun volwassen kameraden. In totaal schijnen de Britten zo’n 250.000 minderjarigen te hebben laten deelnemen aan de Eerste Wereldoorlog.

8. Groot-Brittannië bijna failliet door de Eerste Wereldoorlog

Aan het begin van de 20e eeuw was Groot-Brittannië zonder twijfel een economische grootmacht, maar de kosten van de oorlog waren enorm en dreven het land naar de rand van de economische afgrond. Zo kostte een dagvoorraad kogels van het Britse leger in september 1918 maar liefst 4 miljoen pond. Om over de overige kosten maar te zwijgen….

9. Introductie van bloedbanken

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was bloed hard nodig om het aantal slachtoffers enigszins te beperken. Het Britse leger introduceerde de bloedtransfusie, waarbij het bloed direct werd overgedragen van de ene persoon aan de andere. Een Amerikaanse legerarts, Kapitein Oswald Robertson, richtte in 1917 de eerste bloedbank op aan het westelijk front. Met behulp van natriumcitraat werd voorkomen dat het bloed stolde en zo onbruikbaar werd. Vervolgens kon het tot 28 dagen met ijs gekoeld worden. Zo ontstond de mogelijkheid om vanuit Engeland bloed naar het front te transporteren dat daar hard nodig was bij operaties ter plaatse.

10. Marineschepen werden niet gecamoufleerd, maar opvallend geschilderd

Het probleem van duikboten die marine- en koopvaardijschepen torpedeerden, was groot tijdens de Eerste Wereldoorlog. Norman Wilkinson, een kunstenaar en Royal Navy-vrijwilliger, kwam met het idee om de schepen te beschilderen met zwarte, grijze en witte vlakken. Met zo’n vreemd tintenpatroon was het voor vijandelijke schepen lastig om de vorm en vaarrichting van zo’n schip waar te nemen.

USS_Nebraska

De USS Nebraska tijdens de Eerste Wereldoorlog. bron: wikimedia commons

11. Negen van de tien soldaten overleefden de loopgraven

In tegenstelling tot het heersende beeld, kwam een Britse soldaat niet heel vaak onder vijandelijk vuur te liggen. Dat komt omdat de soldaten voortdurend werden verplaatst in het uitgestrekte loopgravensysteem. Het echte soldatenleven in de Eerste Wereldoorlog bestond voor een groot deel uit routinewerkzaamheden en verveling.

12. Generaals mochten niet meevechten

Het stereotype beeld van de hoge officieren, met name de generaals, is dat ze ver achter de linies in bunkers zaten en het front nauwelijks zagen. Maar het Britse leger schijnt tijdens de oorlog juist verboden te hebben dat generaals zich tijdens een stormaanval onder hun manschappen begaven, juist omdat er op die manier al zoveel generaals om het leven waren gekomen.

Schrijf je in voor TOEN!