Varen en vechten in de Gouden eeuw

Er werd door de Nederlanders gestreden tegen de Spanjaarden, Portugezen, Zweden, Engelsen en Fransen. Deze oorlogen kwamen voornamelijk voort uit pogingen van andere naties om de economische positie die de Republiek bezat, aan te tasten en voorbij te streven.

Inleiding

battleoftexel.jpg De Gouden eeuw werd gekenmerkt door de enorme welvaart van de Republiek. De Nederlanden waren zelfstandig geworden en de Nederlanders ontpopten zich tot een ingenieus handelsvolk. Tot ver buiten de Europese grenzen reikte het handelsimperium. Dit leverde investeerders en kooplieden grote rijkdom op. Ze maakten soms 400 % winst. De economische welvaart trok ook vijanden aan. De zeventiende eeuw staat bekend als een eeuw van vele oorlogen. Er werd door de Nederlanders gestreden tegen de Spanjaarden, Portugezen, Zweden, Engelsen en Fransen. Deze oorlogen kwamen voornamelijk voort uit pogingen van andere naties om de economische positie die de Republiek bezat, aan te tasten en voorbij te streven. De grootste concurrent was Engeland, dat in deze eeuw begon aan de opbouw van zijn immense imperium. De Republiek vocht, met wisselend succes, vier oorlogen uit met deze natie. De strijd vond voornamelijk plaats op zee. Beide landen waren ervaren zeevarende naties en zaten elkaar voortdurend in de haren vanwege hun economische en geografische ligging. De heersende westenwinden boden de Engelsen de mogelijkheid het oorlogsinitiatief te nemen. De gewesten Holland en Zeeland waren in hoge mate afhankelijk van de haringvisserij en overzeese vrachten. Engeland daarentegen had een agrarische samenleving die in hoge mate zelfvoorzienend was. Beide naties bezaten kundige zeeofficieren, die na jarenlang op zee te zijn geweest de strategie en tactiek van die tijd kenden en perfect wisten toe te passen. Wat waren de strategie en tactiek? Hoe waren de verschillende vloten opgebouwd en waaruit bestond hun bewapening? Wat was de samenstelling van de bemanning en het leven aan boord? Dit jaar is het herdenkingsjaar van Michiel Adrienszoon De Ruyter de grootste zeeheld die Nederland ooit heeft gekend. Een uitgelezen kans om deze vragen te beantwoorden.

1.1 De Vloot

1.1.1 Schepen

In Engeland werd de marine na de onthoofding van de Engelse koning Karel I grondig hervormd. Er werden bekwame officieren aangesteld, beloningen werden verhoogd (zowel voor manschappen als voor de officieren) en er kwamen regels ter handhaving van de discipline. Daarnaast zetten de leiders van de Commonwealth (de Britse Republiek) een ambitieus bouwprogramma voor nieuwbouw en herbewapening van bestaande oorlogsschepen op. Toen de Eerste Engelse oorlog (1652-1654) uitbrak stond er een sterke en vernieuwde vloot klaar om het op te nemen tegen de Nederlanders. De vloot van de Republiek daarentegen bestond na 1648 uit veel minder schepen. Daarnaast waren nauwelijks nieuwe typen gebouwd. De scheepsmacht was over het algemeen bedoeld om konvooien te escorteren en te kruisen om zeerovers aan te pakken. Dit bleek tijdens de oorlog met Spanje voldoende. De grootste dreiging kwam dan ook uit Duinkerken (een kapersnest), van waar de vijand met snelle schepen aanvallen deed op de koopvaarders. Om deze aanvallen te weerstaan bouwden de Nederlanders veel snelle schepen van gemiddelde afmetingen. Daarnaast waren er veel tot oorlogsschip omgebouwde koopvaarders. Het feit dat deze scheepsmacht de Spaanse oorlogsvloot in 1639 had verslagen, moet de Nederlanders het vertrouwen gegeven hebben dat ze Engelsen konden verslaan.

Aan het begin van de Eerste Engelse Oorlog beschikten de admiraliteiten over slechts 79 schepen, die verouderd waren en in slechte staat verkeerden. Daarom besloten de Staten-Generaal het tekort aan te vullen door inhuren van bewapende koopvaarders. In maart 1652 werden honderdvijftig schepen gehuurd van de last- en veilgelden. Deze schepen bleken totaal ongeschikt om dienst te doen tegen de veel sterker gebouwde en bewapende Engelse schepen. De omgebouwde schepen waren voornamelijk Straatvaarders (schepen waarmee op de Middellandse Zee en de Levant gevaren werd), die niet aan de eisen van echte oorlogsschepen konden voldoen. Zo waren ze te langzaam, minder manoeuvreerbaar en droegen ze een te zwakke bewapening. De zwakke romp maakte het onmogelijk om zware kanonnen aan boord mee te nemen en de schepen konden geen lange zware beschieting doorstaan. De toestand van de Republiek was na enkele zeeslagen dan ook rampzalig.

Tijdens de oorlog hadden de vlagofficieren al een protest ingediend bij de Staten-Generaal, waarin ze de gebreken van de vloot aangaven. Toen door de Staten-Generaal besloten werd om dertig nieuwe oorlogsschepen aan te bouwen kregen Maerten Tromp (1598-1653) en de zijnen de kans om hun ideeen over de vernieuwingen aan te geven. Ze waren het erover eens dat er zwaardere schepen moesten komen. Deze mochten niet te slank worden gebouwd. Dan zouden ze te rank (licht omslaand, de verhouding lengte breedte klopte dan niet) in het water liggen, waardoor de onderste geschutpoorten bij een flinke bries al gesloten moesten worden.  De vaartuigen werden uiteindelijk kleiner dan Tromp had voorgesteld. In 1652 werd er besloten om een van 150 voet (het nieuwe vlaggenschip de Eendracht) tien van 136 voet en negentien van 130 voet te bouwen (1 Amsterdamse voet = 28,31 centimeter). De wijdte (breedte) van de schepen bedroeg ongeveer 35 voet. Deze afmetingen maakten het mogelijk om het aantal kanonnen te vergroten en geschut van een zwaarder kaliber aan boord te nemen.

Het jaar daarop viel het besluit om nog eens een serie van dertig vaartuigen onder dezelfde voorwaarden te bouwen. Maar door verschillende problemen werden de twee vlootbouwprogramma’s niet precies volgens deze voorwaarden gevolgd. Zo raakten bouwmaterialen schaars, klopten de begrotingen niet en waren subsidies van de gewesten niet op tijd. Uiteindelijk werden er in de jaren 1653-1655 ongeveer vijftig nieuwe oorlogsschepen gebouwd die een lengte hadden tussen de 150 en 130 voet (een waterverplaatsing van respectievelijk 1100 en 700 ton). Deze nieuwe schepen waren groter en sterker gebouwd. De Engelse vaartuigen hadden tijdens de Eerste Engelse Oorlog aangetoond, dat ze een beschieting beter doorstonden dan hun tegenstanders en, door hun zwaardere geschut, meer schade aanrichtten. Zo was het vlaggenschip van De Ruyter in 1652, de Neptunes, met slechts 28 kanonnen bewapend.

De Nederlandse scheepsmacht werd in de jaren zestig van de zeventiende eeuw opnieuw uitgebreid. Een tweede oorlog met Engeland leek onoverkomelijk. De havens van de Republiek waren niet diep genoeg voor echt grote schepen. Door vernieuwingen in de Nederlandse scheepsbouw was het mogelijk om schepen met twee dekken te bouwen, die gelijkwaardig waren aan de Engelse slagschepen. Deze tweedekkers hadden een waterverplaatsing van 1200 tot 1600 ton. Op de lagere dekken konden kanonnen geplaatst worden, zodat de schepen qua geschutskracht niet onder deden voor de Engelse driedekkers. De nieuwe slagschepen hadden de mogelijkheid om zeventig tot tachtig kanonnen te dragen en werden daarom tachtigers genoemd. De vaartuigen werden ingedeeld naar grootte en gevechtskracht in zogenoemde charters. De zwaarste schepen behoorde tot de eerste charter en de lichtste tot de vierde charter. De vaartuigen die binnen deze vier charters vielen werden ook wel linieschepen genoemd.  De term linieschepen verwees naar de tactiek, die tot 1815 werd gebruikt. De schepen werden achter elkaar geplaatst (een linie) en voeren langs de vijandelijke linie om elkaar te beschieten. Dit was enige manier waarop het geschut ten volle werd benut, aangezien dit zich aan de zijkanten van de schepen bevond.

De term charter werd officieel niet gebruikt in de Republiek. De verdeling als zodanig was wel bekend. De Nederlandse admiraliteit deelde de schepen in drie soorten in:

 Charter Stukken geschut
1e 60 – 80
2e 40 – 48
3e 28 – 30(deze schepen werden fregatten genoemd)

Bron: De Jonge, het Zeewezen, deel I, 650

Vanaf 1661 tot 1670 werden er binnen deze charters ongeveer zeventig schepen gebouwd. Het merendeel werd tijdens de Tweede Engelse Oorlog vervaardigd. Dat deze vaartuigen groter en zwaarder bewapend waren blijkt wel uit een vergelijking tussen het jaar 1654 en 1665. Het grootste schip (de Eendracht) uit 1654 had 58 stukken en was 150 voet lang en 38 voet wijd. Zijn tegenhanger (de Dolfijn) uit 1665 was 171 voet lang en 43 voet wijd met tachtig stukken.

Tabel 1.1.1 Gebouwde slagschepen voor de Nederlandse marine 1661-1670

Charter (volgens Britse normen) aantal gebouwde schepen lengte in voet aantal kanonnen hoofdbewapening in ponden waterverplaatsing in tonnen
1e 10 160-171 72-84 36, 24, 18, 12 1400-1600 
2e 20 150-157 60-74 24, 18, 12, 8 1100-1200
3e 20 140-145 54-64 18, 12, 8 900-1000
4e 18 130-138 44-56 18, 12, 6 750-850

Bron:Glete, Navies and nations, 190

Deze schepen vulden de bestaande vloot aan, waardoor De Ruyter beschikte over gloednieuwe schepen, die zich konden meten met de Engelse vaartuigen. Tijdens de Derde Engelse Oorlog werd er ook gebruik gemaakt van de schepen uit de bouwprogramma’s van 1660-1670. Dit was geen probleem, aangezien oorlogsschepen tien tot zestig jaar meegingen, mits ze niet vergingen.

De vlootprogramma’s werden op initiatief van Johan de Witt ondernomen. Hoewel de raadpensionaris er nauw bij was betrokken, kon hij dit alles niet zonder steun van de Amsterdamse admiraliteit voor elkaar krijgen. De twee secretarissen, die de admiraliteit uiterst bekwaam leidden verdienen evenveel lof als De Witt. Vader en zoon David (1611-1671) en Job de Wildt (1637-1704) stemden hun beleid af op de Amsterdamse burgemeesters. Job was vanaf 1659 tot de dood van zijn vader in 1671 assistent-secretaris. Via een drukke correspondentie met De Witt hielden ze hem op de hoogte van de laatste ontwikkelingen binnen de admiraliteit. Daarnaast zaten beide mannen in het Haagse Besogne waar ze de raadpensionaris en hun collega’s regelmatig spraken. Beiden zagen in dat De Witt een sterke marine op wilde zetten om de Republiek te dienen. Zelf deden ze ook enkele goede voorstellen. Zo probeerden ze het voor elkaar te krijgen dat alle admiraliteiten hun schepen dezelfde standaard bewapening gaven. Het bekendste wapenfeit van de samenwerking tussen De Witt en de secretaris was de uitvoering van het plan om De Ruyter naar de kust van West-Afrika te sturen. Deze mannen waren voor een groot deel verantwoordelijk voor de opbouw van de sterke vloot, die in 1672-1673 het land tot driemaal toe voor de totale ondergang redde.

1.1.2 Bewapening

De uitbreiding van het zware geschut was een van de belangrijkste doelen ter verbetering van de Staatse vloot. Volgens De Jonge bestond de Nederlandse scheepsmacht in 1654 uit 101 schepen en de Engelse vloot uit 131 schepen. De bewapening zag eruit, als volgt:

Tabel 1.1.2 Verhouding Nederlandse en Engelse vloot in 1654

Aantal stukken Staatse vloot  Engelse vloot
100 1
80 1
60-66 1 (60 st.) 8
50-58 9 16
40-48 27 32
30-38 33 43
26-28 16 16
8-10 15 14

Bron: De Jonge, Het Zeewezen, Deel I 764-766

Er werd een onderscheid gemaakt tussen metalen stukken en gotelingen. De eerste waren van brons vervaardigd en de laatsten van gietijzer. Bronzen kanonnen waren steviger en lichter dan gietijzeren kanonnen. De gotelingen konden de lange zeeslagen vaak niet aan en ze hadden de neiging om te exploderen als ze afgevuurd werden. Hoewel de kwaliteit van het gietijzeren geschut werd verbeterd in de tweede helft van de zeventiende eeuw, bleven ze minder goed dan het van brons vervaardigde geschut. Brons was (en is) een beter gietmateriaal. Toch bleef het gietijzeren geschut aan boord van schepen domineren. Dit kwam doordat de gotelingen veel goedkoper waren dan bronzen kanonnen. Toen in de tweede helft van de zeventiende eeuw het risico van exploderende kanonnen was verminderd (door middel van verbeterde giettechnieken) werden de gotelingen het hoofdbestanddeel van de scheepsbewapening.

De kanonnen op de schepen waren gerangschikt naar grootte van het kaliber. Deze grootte had gevolgen voor de zwaarte van het geschut. Het maximum gewicht van scheepskanonnen werd bepaald door de sterkte van de houten rompen en dekken, en door het feit dat ze bediend werden door mensen. Daarom werden er geen kogels zwaarder dan achttien of negentien kilo (42-pond in de Engelse marine en 36-pond in de Republiek) gebruikt. De kalibers waren gestandaardiseerd in zeven tot negen categorieën: de lichtste was drie pond (de kogel was 1,3-1,5 kilo) en de zwaarste dus 36-pond.

Het effect van het schot hing niet alleen af van het gewicht van het schot, maar ook de snelheid van de kogel speelde een belangrijke rol. Een grotere hoeveelheid kruit gaf een grotere snelheid aan de kogel. Dit vereiste dan wel zwaarder geschut (dikkere wanden rondom de kruitkamer in het kanon), omdat de kans op een exploderend kanon toenam als gevolg van de zwaardere explosie in de kruitkamer. Men kon binnen deze marge stukken geschut vervaardigen voor deze negen kalibers. Zwaardere kanonnen of een groter kaliber zouden aan boord van een schip niet te bedienen zijn. De standaardisering betekende, dat de bemanning van de kanonnen dezelfde handeling alleen hoefde te herhalen. De vuursnelheid kon verhoogd worden door het bootsvolk de handeling te laten trainen. Een groot aantal verschillende kanonnen, met elk verschillende kruithoeveelheden betekende dat er per kanon een bemanning opgeleid diende te worden. Het zwaarste geschut (36- en 24- ponders) werd onderin het schip geplaatst en de lichtere types werden op de dekken daarboven gezet. Luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer-Obdam (1610-1665) had in 1654 de beschikking over vierenzestig schepen, elk bewapend met veertig tot zestig stukken. Het geschut bestond voor het merendeel uit 18- en 24-ponders.

1.1.3 Bemanningen

Het goede materiaal dat de vlootvoogden in de jaren na de Eerste Engelse Oorlog tot hun beschikking hadden, speelde natuurlijk een grote rol in het succes. Maar de bemanning was tevens van groot belang. Zo kon De Ruyter dankzij de ervarenheid van zijn bemanningen in 1673 de vijand tot drie maal toe verslaan. Het alledaagse leven van de gewone zeeman bestond uit zwaar werk. Het betaalde slecht en de kans om te sneuvelen of gewond te raken was groot. Daarnaast was het moeilijk om voldoende volk voor de grote slagschepen te vinden. Obdam en De Ruyter maakten verschillende malen mee, dat ze door gebrek aan manschappen enkele schepen in de havens moesten achterlaten. Desondanks stond de periode 1654-1673 niet te boek als jaren waarin de marine slecht bemand was. Bruijn noemde het aanbod van de zeevarenden voldoende om de grote vloten op tijd te doen uitzeilen. Vijftig jaar later waren de bemanningen moeilijker te vinden dan in de tijd van Obdam en De Ruyter.

De succesvolle werving van scheepsvolk hing vaak af van het loon dat werd geboden. In de Republiek was er geen sprake van dwang, of dienstplicht bij toerbeurt. In Engeland maakte ze wel gebruik van het zogenaamde ‘empressement’ (gedwongen dienstplicht). Daar hadden ze dan ook minder moeite om de schepen bemand te krijgen. De Staten gebruikten andere middelen. Er werd meer verdiend bij de koopvaardij en walvisvaart, daarom gingen de Staten-Generaal over tot een uitvaarverbod voor handels- en walvisschepen. Het gevolg was dat de matrozen wel dienst moesten nemen bij de marine, aangezien ze geen inkomsten meer hadden. Daarnaast konden de beloningen verhoogd worden, maar dit werd zoveel mogelijk voorkomen. Toen het loon in 1665 verhoogd werd van 12 naar 15 gulden, greep De Witt in; hij wilde voorkomen dat “den staet gestelt werd ter discretie van Jan Haegel” (voorkomen dat het gewone scheepsvolk de beloningen zouden bepalen). Bij de werving werd er niet gekeken naar ervaring en kennis. Zo kreeg De Ruyter enkele mannen aan boord, die “koorn ofte sacke-dragers” (koorn- of zakkendragers, dus geen zeelieden) bleken te zijn. Tijdens het verblijf op de oorlogsvloot raakten de mannen enigszins vertrouwd met het leven aan boord van een schip, maar vaak werden de matrozen na een expeditie afgedankt en moest er maar afgewacht worden of ze terugkwamen voor een volgende expeditie. Het was bekend dat De Ruyter probeerde manschappen te werven die eerder onder hem hadden gevaren. Het bleek hem niet veel moeite te kosten om ze terug te vinden. Het bootsvolk was blij onder hem te dienen, de koosnaam “Bestevaer” (grootvadertje) getuigt hiervan.

De betaling van de gages ontvingen de manschappen aan het begin en het einde van een reis. Het was echter geen vetpot voor het scheepsvolk. Een matroos verdiende weinig. Het salaris ging praktisch op als men van boord mocht gaan in de havens of doordat familieleden voorschotten afnamen tijdens de afwezigheid van de zeeman. Het maandbedrag stond vast en was niet afhankelijk van seizoenen. Bij de afmonstering kreeg je het geld tot op de dag uitbetaald. Het kon dus gebeuren, dat er voor een paar dagen loon werd gegeven (een 4/30 deel was gewoon, als er op 4 maart werd afgemonsterd). In oorlogstijd werden de beloningen af en toe verhoogd, maar dat was met enkele guldens en afhankelijk van het tekort aan bootsvolk.

Aan boord was alles goed georganiseerd en heerste orde en tucht . De zogenoemde artikelbrieven werden uitgevaardigd voor de handhaving hiervan en regelden vrijwel alle facetten van het scheepsleven. De artikelbrief was door Johan de Witt en Obdam in 1664 herzien en bleef in die opzet lange tijd gehandhaafd. De brief werd verschillende malen per reis voorgelezen, opdat iedere opvarende de inhoud ervan kende. Overtreding van de artikelen kende zware straffen. Zo zou niemand den naem des Heeren ijdelijck in den mont nemen (Vloeken) op straffe van een laarzing. Dit was een aantal slagen met het eind van een stuk touw. De zwaardere lijfstraffen waren van de ra vallen en kielhalen. Bij het van de ra vallen werd de veroordeelde aan de ra opgetakeld, vastgemaakt aan een touw en losgelaten. De ongelukkige had een harnas van lood aan waardoor hij pijlsnel in het water schoot . Het kielhalen hield in dat een bemanningslid onder het schip werd doorgetrokken. De doodstraf werd sporadisch opgelegd. De omstandigheden waarin de overtredingen plaatsvonden, bepaalden ook de mate van straffen.

Verder kwamen de manschappen, tot op bepaalde hoogte, in aanmerking voor gratis medische verzorging. Voor de behandeling van verwondingen die voortkwamen uit gevechten met de vijand werd geen betaling gevraagd. In alle andere gevallen mocht de chirurgijn een vergoeding vragen. Overleefde een opvarende zijn verwonding maar had hij daarbij een ledemaat verloren dan werd dit door de Staten-Generaal vergoed. De publicatie van de Staten inzake schadeloosstelling voor verminkten van 17 maart 1665 gaf aan, dat het verlies van beide ogen en armen 1500 gulden opleverde en het verlies van beide handen 1200 gulden. Daarnaast werd elke week een zilveren dukaat uitbetaald voor de rest van het leven.

In de jaren na de Eerste Engelse Oorlog beschikte de Republiek over zeer capabele (vlag)officieren. In de jaren 1650 en 1660 waren de kapiteins vaak voormalige schippers van de koopvaardij. Na 1660 bleken de kapiteins vaker als adelborst (een rang bij de marine) te zijn begonnen. In de periode na 1660 kon men beter ervaring op doen binnen de oorlogsvloot, vanwege de vele oorlogen en de goede staat van de scheepsmacht, dan eerst jarenlang op de koopvaardijvloot te varen. Door de vele jaren van strijd gaf de generatie van De Ruyter een enorme ervaring in de strijd ter zee. Vanuit het buitenland kwamen jongemannen om bij de Nederlandse scheepsmacht als adelborst te dienen onder de vakbekwame kapiteins van de Republiek. De officieren kregen alleen een tractement, wanneer ze in vaste dienst waren. Kapiteins en vlagofficieren konden hun voordeel doen met de kostpenningen. Ze kregen geld (de kostpenningen) om voor voedsel te zorgen voor hun bemanning. Dit betekende dat ze geld overhielden als ze het ergens voordelig in konden kopen en dit mochten ze dan houden. De schepen werden groter en kregen grotere bemanningsaantallen, wat weer meer kostpenningen opleverde. Naast het tractement en de kostpenningen was er nog het buitgeld. Voor het nemen van een vijandelijk oorlogs- of koopvaardijschip kreeg men geld. Dit buitgeld werd verdeeld onder de opvarenden en leverde dus niet zoveel op.

1.2 Tactiek

1.2.1 De linie van bataille

In de zeventiende eeuw werd de linie van bataille of kiellinie, de belangrijkste tactiek. Deze tactiek bleef voor de grote zeeslagen de meest gebruikte. In deze slagen hadden de zware slagschepen veertig tot tachtig (soms wel honderd) stukken geschut bij zich. De zware vaartuigen waren gebouwd om de hevige beschietingen te weerstaan en om het eigen geschut te dragen. De lichte schepen met minder geschut (fregatten, adviesjachten en andere kleine schepen) voeren mee, maar waren bedoeld voor verkenningstochten of dienden als communicatiemiddel tussen de vlagofficieren. Het is nooit precies duidelijk geworden wie de uitvinder van de linietactiek was. Wel kan met enige zekerheid worden gezegd, dat deze zich ontwikkeld heeft tijdens de Engelse Oorlogen en door zowel bijdragen van de Engelsen als Nederlanders geperfectioneerd werd. Het zou de belangrijkste strategie blijven tot het begin van de negentiende eeuw, toen admiraal Horatio Nelson bij Trafalgar een manoeuvre uitvoerde, waarbij het varen in linie teniet werd gedaan. In de loop van de negentiende eeuw werd het overbodig, aangezien de schepen niet meer afhankelijk waren van de wind en nieuw soort geschut andere strategieën verlangde.

De tactiek bestond eruit, dat de schepen achter elkaar voeren om zo hun geschut ten volle te kunnen benutten. In linie konden daardoor alle vaartuigen hun geschut gebruiken. Het zwakke punt van een oorlogsschip lag in de geringe bewapening voor- en achteruit. Zolang de linie in goede en strakke orde werd uitgevoerd, kon deze niet worden doorbroken en werden deze zwakke punten gedekt door de voor- en achterliggende schepen. Het doorbreken van een kiellinie betekende dat er een gat in de linie ontstond waardoor vijandelijke schepen voeren. De vaartuigen die achter het ontstane gat voeren moesten de zeilen brassen (de zeilen richten op de wind) of overstag gaan ( het verleggen van de zeilen van boordkant zonder dat deze wind vangen), om niet in aanvaring te komen met de vijandelijke schepen of met elkaar. Het gevolg was wanorde en chaos waarin schepen elkaar in de weg zaten en dus een makkelijke prooi voor de vijand waren geworden. Het belangrijkste voor de bevelhebber van de linie was, dat de hechte formatie niet verloren ging. Een moeilijke opgave, aangezien sommige van deze rijen acht tot tien zeemijlen lang waren.

Het begin van deze tactiek moet in de oorlog met Spanje gezocht worden. Piet Hein en Tromp maakten al gebruik van de kiellinie, zij het dan op kleine schaal en op een primitieve manier. Volgens R.E.J. Weber behoorde dit tot de bagage van militaire kennis van vlootvoogden van die tijd en kan daarom niet worden toegeschreven aan alleen Maerten Tromp.  Toen de Eerste Engelse Oorlog uitbrak, bleek de tactiek om vijandelijke schepen te enteren de meest voorkomende gevechtshandeling van de Nederlanders. Ze waren gewend om met kleine aantallen schepen de vijand vanuit een loefpositie (bovenwindse positie) snel aan te vallen en te enteren, om het vijandelijke vaartuig vervolgens met geweer of sabel in de hand te veroveren. De Nederlandse schepen waren niet berekend op lange liniegevechten. Hierop volgde vaak de zogenoemde melee: door elkaar geraakte schepen die individuele gevechten uitvochten. De regel was dat als er een schip in een benarde situatie geraakte, deze te hulp moest worden geschoten door andere schepen.

1.2.2 De praktijk

In de grote vloten, die in de Eerste Engelse Oorlog werden gebruikt, moest er sprake zijn van goede orde om aanvaringen te voorkomen. Daarom werden de vloten in eskaders opgedeeld. In de gevechtsinstructie werd aangegeven, dat de kapiteins hun schepen dicht bij elkaar dienden te houden om zo samen de vijand aan te vallen en te enteren met een superieure overmacht. Dit gold wanneer de eigen vloot de loef (bovenwinds) had. Mocht dit niet het geval zijn of was de vijand te sterk, dan zouden de kapiteins ook dicht bij elkaar blijven. Zo kon de vijand niet de kans krijgen om schepen af te snijden van de eigen hoofdmacht.  Hieruit bleek al  dat een slag in ieder geval in een kiellinie begonnen werd om vervolgens de eerste aanval snel uit te voeren en de formatie van de vijand uiteen te slaan en daarna de schepen te enteren. Een strakke formatie gaf het meeste voordeel in de gunstige loefpositie en in de nadelige lijpositie (benedenwinds).
De zeilschepen waren afhankelijk van windrichtingen en dit kon tijdens de slag een beslissende factor zijn. Zowel de loef als de lij had voordelen en nadelen. Het hebben van de loef maakte het makkelijker om te manoeuvreren en naderen. Daarnaast kon degene die de loef had de afstand waarop het gevecht moest plaatsvinden bepalen. Een bovenwindse positie had nog meer voordelen, zoals het overhellen van het schip en het verdwijnen van de rook van het eigen geschut. Bij het afvuren van het geschut ontstond een enorme rookwolk en vonkenregen, had men de loef dan waaide dit van het schip af. In het geval van een positie van de wind af dreef dit over het eigen schip. Dit ontnam het zicht en de kans op brand in de zeilen door de vonken was groot. Door het overhellen naar de vijand toe konden de stukken geschut na een schot makkelijker naar hun plek terugrollen. Daarnaast werd de romp door het overhellen beter beschermd, het lag immers lager. Een nadeel van de loefpositie was, dat bij een stevige bries de onderste geschutpoorten moesten worden gesloten, omdat deze te dicht bij het water in de buurt kwamen. Dit betekende dat de zwaarste stukken geschut van het schip niet konden vuren, omdat deze onderin het schip werden geplaatst. Verder kon door de hoek van het hellen slechts van dichtbij op de vijand geschoten worden. Afgeschoten masten, raas en stengen , evenals zeilen vielen naar lij en blokkeerden het zicht en maakten verder vuren van de batterijen onmogelijk. Tenslotte deed de wind zwaar beschadigde schepen naar de lij afdrijven en temidden van de vijand terechtkomen. De kracht van de wind moest ook worden meegenomen in de beslissing of een positie van de wind af of aan de wind werd gekozen. Een ervaren bevelhebber kon de voordelen van beide posities uitbuiten.

Gedurende de Eerste Engelse Oorlog werd de Nederlandse vloot in vijf eskaders opgedeeld. De opdeling van de scheepsmacht varieerde in de jaren daarna nogal. Pas onder De Ruyter werd het een gewoonte om drie eskaders te vormen. De Engelsen deden dit sinds de Eerste Engelse oorlog. In deze formering was het overzicht het meest duidelijk voor de bevelhebber en de andere vlagofficieren. De eskaders waren namelijk ook weer opgedeeld in drie smaldelen. Op deze manier werd de bevelstructuur erg lang uitgestrekt, waardoor het tijdens een zeeslag moeilijk werd om met de hele vloot manoeuvres uit te voeren of leiding te geven aan de gevechten. Van Wassenaer-Obdam kreeg in 1665 de opdracht zijn vloot in zeven eskaders op te delen. Dit had waarschijnlijk te maken met de grote hoeveelheid vlagofficieren en de onderlinge rivaliteit die onder de admiraliteiten heersten. Na de slag bij Lowestoft in 1665 begon De Witt te onderzoeken wat de beste indeling van de vloot was en informeerde daarvoor ook bij enkele vlagofficieren. Hieruit bleek, dat de officieren unaniem voor een indeling van niet meer dan drie eskaders waren.  Het voordeel van deze indeling was de mogelijkheid om twee verschillende vormen aan te nemen. De eerste was een linie naast elkaar, de tweede was de kiellinie

De Witt bracht nog een idee naar de vloot die zijn invloed had op de kiellinie. In de gevechtsinstructie werd opgenomen dat de vlagofficieren zich wat naar achter ophielden tijdens de strijd. Het gevolg hiervan was, dat de kiellinie een slangachtige

Deze formatie zal in het gevecht niet veel zijn voorgekomen, aangezien de vlaggenschepen elkaar in de strijd opzochten om een individueel gevecht met elkaar te hebben. Daarnaast voeren deze schepen de zwaarste bewapening en het ontbreken van deze vaartuigen zou de gevechtskracht van de linie doen afnemen.

Een ander idee van de raadpensionaris was de vorming van een vierde eskader, die als corps de reserve zou dienen. Dit vierde eskader zou gevormd worden van achtergebleven schepen in de havens, nadat de hoofdmacht al vertrokken was. Dat zou tevens betekenen dat een van de luitenant-admiraals achter moest blijven om hierover het bevel te voeren. Het zou een heel karwei worden om zo iemand, iedere keer dat de scheepsmacht uitvoer, te vinden. Het was in de zeventiende eeuw natuurlijk geen eervolle opdracht om het bevel over een reserve eskader te voeren. Uiteindelijk werd de beslissing aan vlagofficieren overgelaten en deze kozen voor de drie eskaders bestaande uit zoveel mogelijk schepen. De vaartuigen, die nog in de haven lagen konden zich later bij de vloot voegen.

Tijdens zijn verblijf op de vloot in september 1666 had De Witt het bevel over de scheepsmacht, terzijde gestaan door Luitenant-admiraal Aert Van Nes. De raadpensionaris besloot de kiellinie in een zo een strakke formatie te krijgen, dat deze niet te doorbreken zou zijn. Elke vlagofficier en kapitein kreeg binnen zijn eskader een plaats toegewezen. De fregatten en adviesjachten werden aan de lijzijde van de linieschepen geplaatst. Het gevolg was een kiellinie van Staatse schepen in perfecte orde, zodat de Witt tevreden kon melden, dat ‘……d’officieren ende anderen, op dit schip wesende, verklaerden deselve noyt in soo goede postuyr gesien te hebben’. (de officieren en bemanning hadden nog nooit zo’n stakke kielinnie gezien) De linie de bataille was de gunstigste tactiek voor de maritieme oorlogvoering geworden. Het grootste voordeel werd echter behaald, wanneer een kundige opperbevelhebber het bevel voerde en zijn ondergeschikte (vlag)officieren begrepen wat hijin het heetst van de strijd wilde. Dit betekende dat de bevelhebber en zijn ondergeschikten als een team op elkaar ingespeeld dienden te zijn. Dan konden er tijdens de slag manoeuvres met de gehele vloot worden uitgevoerd, waarbij er geen gaten vielen in de linie en de vijand op strategisch gebied de loef kon worden afgestoken.

1.3 De tactiek van De Ruyter

De Ruyter heeft de ontwikkeling van de tactiek in de zeventiende eeuw bijna in zijn geheel meegemaakt. Vanaf zijn eerste optreden in 1641 tot de Eerste Engelse Oorlog leerde hij de kneepjes van het vak. Deze periode kan dan ook worden gezien als het tijdperk waarin hij werd gevormd als strateeg. In de jaren daarna kreeg hij de kans om dat wat hij geleerde had in de praktijk te brengen. Dit resulteerde in het volbrengen van de opdrachten in de Sont (zeestraat die het Kattegat met de Noordzee verbind, ten zuiden van Kopenhagen), de Middellandse Zee en natuurlijk aan de Westkust van Afrika. Toen hij, in 1665, bevelhebber werd van de gehele Nederlandse scheepsmacht had hij al de nodige ervaring. De jaren tot aan de Derde Engelse Oorlog gebruikte hij om van de vloot een geoliede machine te maken, die in het gevecht blindelings deed wat De Ruyter ervan verwachtte. Dat bleek tot driemaal toe in 1672 en 1673.

In 1641 kreeg hij zijn eerste aanstelling bij de marine onder Artus Gijsels, een 61 jaar oude veteraan, die vele jaren in dienst was geweest van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Op 4 november 1641 kwam het tot een zeeslag met de Spanjaarden. De admiraal deelde zijn vloot van zeventien schepen in drie eskaders in. De Nederlandse vaartuigen vochten in groepjes van twee, waarbij geprobeerd werd de vijandelijke schepen tegelijkertijd van twee kanten te enteren. Dit was een beproefde gevechtstactiek van de Oost- en West-Indische Compagnie.  Enkele schepen kwamen in de problemen en De Ruyter probeerde ze tevergeefs te hulp te schieten, zoals dat volgens de regels uit die tijd hoorde.

In augustus 1652 ondervond De Ruyter de gevolgen van slechte discipline binnen zijn smaldeel. Hij deelde zijn scheepsmacht in drie eskaders in. Het lukte de tijdelijke vice-admiraal niet om de loef te winnen en vervolgens tot enteren over te gaan. Slechts zeven van de 29 vaartuigen volgden hem. Een passeergevecht (twee vloten die langs elkaar varen) was het resultaat. Tijdens dit gevecht begreep De Ruyter dat orde en tucht nodig waren onder de officieren om ze in het gevecht te krijgen en om ze in strakke formaties te krijgen.

Tijdens de slag bij Duins was Witte de With de bevelhebber van de vloot en probeerde de vloot in een lange linie te krijgen. Dit lukte niet hem niet, zoals dat gedurende de hele oorlog een probleem zou blijven. De eskaders konden wel een linie vormen, maar waren nog niet gewend om als een vloot de linie te bewaren. Het gevolg was dat de vlootlinie bestond uit overlappende eskaders en schepen die tussen elkaar door voeren. De indeling van de scheepsmacht bestond onder De With uit vier eskaders. Het vierde eskader zou in de zeeslag hulp bieden waar dat nodig mocht zijn.

Tromp zou de grootste leermeester worden van De Ruyter. Hij brak als eerste met de traditionele strategie van de Republiek. De opvatting heerste dat de oorlogsvloot in de eerste plaats diende ter bescherming van de koopvaardij. Opperbevelhebber Tromp zag dat anders: het vernietigen van de vijandelijke oorlogsvloot zou de koopvaardij van elke bedreiging ontdoen. Deze stelregel zou De Ruyter in de jaren daarna zoveel mogelijk proberen na te leven. De manier waarop Tromp door middel van een gemoedelijke omgang met zijn scheepsvolk veel van ze gedaan kreeg, moet ook een lichtend voorbeeld zijn geweest voor De Ruyter. In de Driedaagse Zeeslag (1653) toonde Tromp aan, dat het formeren van een halve maan het beste was om koopvaarders te beschermen bij een ordelijke terugtocht. Op gebied van tactiek en om de bemanningen te motiveren heeft de Zeeuw het meest van Tromp kunnen leren. De Eerste Engelse Oorlog hardde hem in de strijd en hij leerde rustig te blijven tijdens de gevechten tegen een overmacht. Daarnaast was de oorlog voor De Ruyter de eerste serieuze kennismaking met strategie in combinatie met een grote scheepsmacht.

Toen De Ruyter tot opperbevelhebber werd benoemd, had hij in de korte periode tot de Vierdaagse Zeeslag geen tijd gehad om met de gedemoraliseerde vloot te oefenen. Er zijn wel spiegelgevechten geweest, die een aantal gebreken binnen de scheepsmacht aantoonden. Tijdens de zeeslagen in 1666 zouden deze beperkingen zich dan ook voordoen. Op 11 juni (Vierdaagse Zeeslag) verrasten de Engelsen De Ruyter met een snelle aanval en moesten de Nederlanders hun ankers kappen. Dit veroorzaakte enige wanorde in de Nederlandse formatie. De Engelsen vielen als eerste de Nederlandse voorhoede onder Cornelis Tromp (de zoon van Maerten Tromp) aan. De Staatse vloot was inmiddels standaard in drie eskaders opgedeeld. De Ruyter en luitenant-admiraal Johan Evertsen (bevelhebber over een eskader) konden Tromp niet helpen, aangezien ze teveel aan de lij lagen. De luitenant-admiraal deed geen moeite om de loef alsnog te verkrijgen. Op die dag was dat ook de juiste tactiek, aangezien er een flinke bries stond. De schepen van de Engelse admiraal Monck helden door de bries zover over dat de onderste geschutpoorten gesloten moesten worden. Een ander gevolg was dat ze meer schoten in het water losten dan op de Nederlandse vloot. Een duidelijk voorbeeld van een bovenwindse positie.

De volgende dag wist De Ruyter de loef te winnen en stond hij op het punt om de vijandelijke kiellinie te breken. Maar Tromp wilde of kon zijn manoeuvre niet volgen en werd afgesneden van de hoofdmacht. De opperbevelhebber zag in dat Tromp ontzet moest worden, ondanks de gunstige positie waarin hij zich bevond. Het verlies van het eskader van Tromp kon het verlies van de hele slag inleiden. Het lukte De Ruyter om het eskader van Tromp op een schip na te ontzetten. De Nederlandse vloot verkeerde nu echter in verwarring. De linie moest eerst worden hersteld, voordat de Staatse vloot verder kon vechten. Na het middaguur raakten beide vloten weer met elkaar in gevecht. Bij een van de passeergevechten werd de grote steng van de Zeven Provinciën afgeschoten. De Ruyter besloot het bevel aan Van Nes over te dragen en zelf uit de linie te varen om toegebrachte schade te repareren. Op de derde dag nam de luitenant-admiraal het bevel over de vloot weer op zich. De Engelsen kregen ’s avonds versterkingen en was de kans verkeken om de Engelse vloot te vernietigen. De vierde dag wist de luitenant-admiraal opnieuw de loef te winnen en besloot de linie van de vijand op drie plaatsen te breken. De Engelse formatie was na drie dagen vechten al niet meer zo strak gevormd. De drie eskaders zouden in een frontale formatie aanvallen. Het gevolg was dat de Engelsen al gauw in totale wanorde verkeerden, waarop De Ruyter het sein gaf voor een algemene aanval, de linies werden opgegeven en er ontstond een melee.

Deze manoeuvre doet denken aan de geniale zet van Horatio Nelson in 1805 bij Trafalgar. Nelson versloeg met deze actie de gecombineerde Spaans-Franse vloot. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor de Britse alleenheerschappij op zee voor ruim honderd jaar. Of Horatio Nelson de manoeuvre van De Ruyter heeft overgenomen, is onbekend.

De vijand sloeg op de vlucht, nadat de gevechten het laatste verband uit de Engelse formatie hadden geslagen. Ze konden elkaar niet meer ondersteunen. Het was een grote overwinning, maar De Ruyter was niet tevreden. Hij begreep dat de slag ook verloren had kunnen worden. De eenheid in de vloot was ver te zoeken. Er moest nog gewerkt worden aan de uitvoering van gevechtsmanoeuvres. Op het beleid van De Ruyter gedurende de eerste drie dagen van de slag was het een en ander op aan te merken.

In de Tweedaagse Zeeslag brak dit de Nederlandse vloot op. Cornelis Tromp dwaalde van de hoofdvloot af om een Engels eskader te achtervolgen, dat voor hem op de vlucht was. De Nederlandse achterhoede trok zich terug na het sneuvelen van Evertsen. De Ruyter kon niets anders doen dan de strijd opgeven (en zal ongetwijfeld gedacht hebben aan zijn leermeester Maerten Tromp). Hij zag kans om zich te verenigen met de achterhoede, waardoor de vloot zo’n veertig zeilschepen telde. De vice-admiraal Adriaan Banckert zou met achttien schepen de aftocht dekken in een halve maan zodat de andere schepen zich achter de Vlaamse zandbanken konden terugtrekken. Hiermee wist de luitenant-admiraal een vernietigende nederlaag te voorkomen en er een roemrijke terugtocht van te maken. De Ruyter had tijdens deze slag zijn vloot niet bijeen kunnen houden, waardoor de vijand het initiatief kreeg. De Engelse vloot kon met een overwicht aan schepen de verspreide groepen van de Nederlandse vloot een voor een aanvallen. Door de tijdige terugtocht was een totale vernietiging van de scheepsmacht voorkomen.

Voordat het rampjaar 1672 begon had De Ruyter de kans gekregen om het jaar daarvoor zijn vloot met vertrouwde eskadercommandanten als Banckert, Van Ghent en Van Nes te oefenen. Opvallend was dat hij voornamelijk oefende op het uitvoeren van verschillende manoeuvres die door de gehele vloot tegelijk moesten worden gedaan. Eindelijk had de opperbevelhebber zijn eenheid binnen de vloot. Aan het einde van de zomer van 1671 konden zijn bemanningen de manoeuvres en hechte orde blindelings uitvoeren en begrepen de commandanten de bedoelingen van hun opperbevelhebber zonder daarvan op de hoogte gesteld te moeten worden. De Nederlandse scheepsmacht was de geoliede machine geworden waarvan De Ruyter had gedroomd.

Tijdens de slag bij Solebay probeerde De ruyter de gecombineerde Engels-Franse vloot te verrassen. De opperbevelhebber koos dus opnieuw voor het offensief, ondanks de overmacht aan vijandelijke schepen. Deze lagen voor anker en de Staatse scheepsmacht kon, gestuwd door een oostenwind naar hen toe komen. De wind zwakte echter af en een aanval met branders lukte daardoor niet. Toch was de komst van de Nederlanders een verrassing voor de Engelsen en Fransen, waardoor ze niet de tijd kregen om een ordelijke linie te vormen. De Fransen werden bezig gehouden door het eskader van Banckert. De Ruyter en Van Ghent wendden hun eskaders richting de Engelsen. Een twintigtal schepen konden het vuur van De Ruyter en Van Ghent beantwoorden. Toch voorkwamen ze niet dat er veel schade werd geleden onder hun eigen schepen. Tegen de avond liet De Ruyter zijn schepen verzamelen. De vijandelijke vloot was zodanig beschadigd dat de landing op de Nederlandse kust moest worden uitgesteld.

Op 7 juni 1673, nadat De Ruyter voor een defensieve strategie had gekozen en besloot de vijand af te wachten, begon de slag bij Schooneveld. Het was niet mogelijk geweest om met zijn kleine vloot van 64 linieschepen op zoek te gaan naar de gecombineerde vloot. De bemanning van de Nederlandse vloot had het de naam “het kleen hoopken”gegeven. Het voorste eskader onder Tromp werd door een eskader lichte schepen (Franse en Engelse vaartuigen, die uit de achterhoede en het middeneskader van de gecombineerde vloot kwamen) als eerste aangevallen. De Engelse opperbevelhebber had verwacht, dat de Nederlandse vloot zou wegvluchten of anders achter de banken van Schooneveld blijven liggen. Daarom had hij de lichte schepen vooruit gestuurd om de Nederlanders te beletten naar de havens te vluchten. Het sterkste eskader van de gecombineerde scheepsmacht volgde de lichte schepen. De Ruyter ging het gevecht echter aan en legde zijn vloot in linie. De voorhoede onder Tromp moest zo tegen een overmacht strijden. De sterke wind deed het Engelse voordeel van de loef teniet omdat ze de onderste batterijen niet konden gebruiken. Daarnaast was de wanorde onder de vijandelijke voorhoede zo groot, dat dit de overmacht aan schepen teniet deed.

De achterhoede onder Banckert bevond zich ondertussen in een moeilijke positie. De Ruyter, die zich met zijn eskader voor hem bevond, besloot om zijn eskader in een keer te wenden (daarbij een Frans-Engels eskader doorbrekend) om het Zeeuwse eskader te steunen. Dit lukte dankzij de geoefendheid van zijn kapiteins. De vijand bevond zich daarop tussen twee vuren en was geheel perplex door deze actie van de luitenant-admiraal-generaal( Stadhouder Willem III had De Ruyter gepromoveerd). Banckert herhaalde de manoeuvre en sloot zich achter De Ruyter aan. De Ruyter had nu de loef en kon het Franse eskader breken en met een overmacht aan schepen. Tromp had hem echter niet kunnen volgen, omdat hij in gevecht was met Engelse prins Rupert met diens het lichte eskader.

De luitenant-admiraal-generaal zag in dat hij Tromp moest bijstaan en met de woorden “…..’t zwaarst moet ’t zwaarst wegen, ’t is beter vrienden te helpen dan vijanden te deren”, gaf hij opnieuw het sein om te wenden.  Deze manoeuvre was dezelfde die hij had ondernomen om Banckert te steunen. Toen deed hij het alleen met zijn eigen eskader, maar nu moest het Zeeuwse eskader ook volgen. Het oefenen wierp wederom zijn vruchten af. Het gelukte weer om de wending door alle schepen in de linie tegelijkertijd uit te voeren. De Nederlandse linie voer richting Tromp, heftig kanonnerend tegen de met hen meeliggende Fransen. Zo vond De Ruyter Tromp en verenigde zich met hem, waardoor de Staatse vloot compleet was.

Door deze manoeuvres was het de luitenant-admiraal-generaal gelukt de linie te herstellen en de linie van de gecombineerde vloot te ontregelen. De Ruyter liet zijn eskaders en smaldelen enkele malen door de slecht aaneensluitende linie heen slaan en vergrote daardoor de wanorde onder de vijand. Toen de avond viel trok de gecombineerde vloot zich terug en was de slag gewonnen. Een week later verkeerde de gecombineerde vloot aan het begin van de slag al in wanorde door miscommunicatie onder de vlagofficieren. De Ruyter zag daardoor vrij gemakkelijk kans de Fransen en Engelsen van de Nederlandse kust te verdrijven.

De Ruyter had vanaf 1652 (de slag bij Plymouth) tot 1673 (slag bij Kijkduin) commando’s gevoerd in zeeslagen. De luitenant-admiraal-generaal was een man van de praktijk. Hij was ervan overtuigd, dat hetgeen van tevoren op papier werd gesteld in de praktijk anders uitpakte. Daarnaast waren er in gevechten situaties, die niet allemaal van tevoren bedacht en op papier gesteld zouden kunnen worden volgens De Ruyter. Dit bleek ook wel tijdens de slag bij Schooneveld (7 juni 1673), waar hij gebruik maakte van een manoeuvre die hij op dat moment bedacht. Hij kende de voor- en nadelen van de kiellinie door een jarenlange ervaring op zee. De zeeman heeft geen vernieuwingen in de strategie van het zeewezen gebracht. Wat hem groot heeft gemaakt als bevelhebber was zijn vermogen leiding te geven aan een groot aantal vlagofficieren en om zijn bemanningen te motiveren door middel van zijn charismatische persoonlijkheid.

De succesvolle expedities in 1672 en 1673 waren gedeeltelijk een gevolg van de spiegelgevechten (oefengevechten) van het jaar daarvoor. De Ruyter liet zijn officieren en bemanningen elke gevechtshandeling en manoeuvre oefenen, zodat ze in de strijd een automatische handeling vormden. De admiraal heeft geen drastisch veranderingen teweeg gebracht. Tijdens de Engelse Oorlogen werd de strategie van de linie- gevechten geperfectioneerd. Op gebied van de maritieme strategie was nergens sprake van theorievorming. De officieren deden ervaring op gedurende de campagnes. De linie zou nog 200 jaar de manier van vechten zijn. Pas met de komst van stoomschepen en ander geschut veranderde de strategieën. De Ruyter had het inzicht en de moed om de juiste tactiek te kiezen op de juiste momenten.

Links:

1 Reactie op Varen en vechten in de Gouden eeuw

  • André Bas schreef:

    In het artikel ‘Varen en vechten in de Gouden Eeuw’ wordt gesproken over een bekendmaking van de Staten Generaal d.d. 17 maart 1665 inzake vergoedingen aan militairen die gewond waren geraakt. In verband met eigen onderzoek wil ik graag weten, waar ik de tekst van de betreffende bekendmaking kan vinden.

Geef een reactie

Schrijf je in voor TOEN!