Westerbeek vaart op Faeroërse klippen

Wat doen VOC-wrakken aan de Engelse westkust, de Schotse kust, de Orkney-eilanden of zelfs nog noordelijker? Hoe kom je daar verzeild als je van of naar Texel of een Zeeuwse haven vaart op weg naar of op de terugreis van Indische wateren?

 

Daar is een goede reden voor. Het Kanaal is in de 17e en 18e eeuw weliswaar de snelste vaarroute, maar niet per se de veiligste. Op deze smalle vaarroute tussen Frankrijk en Engeland door zijn kapers op de kust. Rijk beladen schepen bevrijden zij graag van hun vracht. In de 17e eeuw zijn duizenden schepen verloren gegaan aan de kapers. Het werd hen ook wel gemakkelijk gemaakt. Met oog op maximale winst zijn de handelsschepen amper in staat zichzelf te verdedigen. Ruimte voor de vracht gaat voor op zware bewapening. En in plaats van te wachten in een haven om in een konvooi te varen, varen de schepen onder het motto ‘tijd is geld’ alleen en onbeschermd uit en vallen niet zelden ten prooi aan de kapers.

Westerbeek vaart vanaf Kaap de Goede Hoop

Veel VOC-schippers nemen de langere weg, ten westen van de Britse eilanden. Ook het schip de Westerbeek neemt die lange weg, besluit kapitein Herman Schutte. De thuishaven lonkt. Als de Westerbeek in 1742 huiswaarts zeilt, is het bezig met de zesde reis. Vroeg in het jaar zeilde het schip weg uit Azië. Volgeladen met peper van Bantam op Java en van de Peperkust (Malabar) in India. Met koffie van Ceylon (nu Sri Lanka) en thee uit China. Een kostbare lading. In april komt de Westerbeek aan op Kaap de Goede Hoop. De haven ligt vol Indiëvaarders. Het Kasteel van Woerden, de Weltevreden, Maarseveen, Strijen, Horstendaal, Oude Zijpe, Hogersmilde en de Westerbeek lichten alle het anker om gezamenlijk naar het noorden te zeilen. In het logboek dat op Kaap de Goede Hoop wordt bijgehouden staat dat het ’s avonds onweert. Als bijgelovige zeeman zou je er zomaar een voorteken in kunnen zien.

Als het konvooi de Kaap verlaat, weten ze al dat het onrustig is in het Kanaal. Zij zullen Schotland ronden om huiswaarts te gaan. Onderweg verliezen de schepen contact. Het is uiteindelijk ieder schip voor zich. Ieder kent een eigen lot. Enkele lopen begin september de haven van Texel binnen. Een enkel schip meert aan in Zeeland. De Horstendaal en Oude Zijpe komen in een storm op de Noordzee terecht. Eerstgenoemde loopt aan de grond in Zeeuwse wateren. De Oude Zijpe loopt vast op het strand van Zandvoort.

Oude Zijpe

De Oude Zijpe op het strand bij Zandvoort, 1742. Bron: Rijksmuseum, Amsterdam.

 

Westerbeek loopt op de klippen

Het lot wacht de Westerbeek noordelijker op. Het weer op zee voldoet precies aan het vooroordeel dat hedendaagse vakantiegangers over Noord-Engeland en Schotland hebben: de zon zie je er zelden. En inderdaad: de mist neemt het schip volledig in zich op. Navigeren op basis van de zonnestand zit er niet in. De scheepslieden hebben dan ook niet in de gaten dat zij veel verder naar het noorden zijn gevaren dan nodig is. Als de uitkijk roept “Land, land vooruit”, is het te laat. De Westerbeek ramt tegen de klippen van Lopranseiði, aan de westkust van Suðuroy. De masten breken. Op 2 september 1742 eindigt de reis van de Westerbeek voorgoed. Op de zuidelijkste van de Faeroër-eilanden.

De laatste reis van de Westerbeek. Bron: Anker Eli Petersen, De schipbreuk van de Westerbeek in 1742, Posta Faroe Islands.

Voor zeker tien man heeft de scheepsramp betekend dat zij een zeemansgraf krijgen. De zieke mannen hebben niet tijdig het schip kunnen verlaten en enkele mannen sterven tijdens hun werk. Eén stort te pletter als hij de klif probeert te beklimmen. Wat te doen?, zullen de tachtig overlevenden zich hebben afgevraagd? Ze hebben er geen weet van waar ze zijn. Ze denken ergens op de Hebriden, de eilanden ten westen van het Schotse vasteland geraakt te zijn. Ze besluiten verkenners te sturen. Vier mannen komen bij een dorpje. Het is Sumba, het zuidelijkste dorp van de Suðuroy, anderen bij Vágur dat iets noordelijker ligt. De bewoners van het laatstgenoemde waren de eersten die weer ter plaatse waren. De redding is nabij voor de bemanning. Niet voor de Westerbeek zelf. Het schip zinkt weg in de koude golven.

Faeroër

Kaart Faëroer, met plaatsnaamaanduidingen. Bron: wikimedia.org.

Eilandhoppen op de Faeroër

Nu zij weten waar ze zijn, is het zaak om naar de grootste stad van de Faeroër-eilanden te komen, de havenstad Tórshavn. Dat betekent eilandhoppen. Met de roeiboot varen zij van eiland naar eiland. Om op krachten te komen blijven zij soms iets langer bij een plaats hoewel niet alle bewoners daar gelukkig mee zijn. Die vreemden zouden weleens ziekten met zich mee kunnen brengen. In een ander dorp wordt hen ook droge kleding en voedsel ontzegd. In andere dorpen wacht hen juist een welkom onthaal. Het einddoel blijft Tórshavn. Op 12 september komen kapitein Schutte en zijn officieren in de stad aan.

In Tórshavn meren vele Deense en Zweedse koopvaardijschepen aan. In navolging van de Republiek en Engeland zijn in Denemarken en Zweden namelijk compagnieën opgericht die handel drijven op Azië. Als de VOC-mannen aankomen, valt het met de bedrijvigheid mee. Het is september en het vaarseizoen zit er bijna op. Twee koninklijke Deense schepen liggen klaar voor vertrek naar Kopenhagen. De kapiteins voelen er niets voor mee om alle 80 mannen mee te nemen. Slechts tien mogen mee. De anderen zijn genoodzaakt op de eilanden te blijven tijdens de winter. De jarenlange reis wordt met zeker nog een half jaar verlengd.

Winter

De zeelui leven tijdens de winter van 1742-43 op verschillende eilanden. Zij leren wat het is om te leven op de eilanden. Ze steken de handen uit de mouwen, onder meer door boeren te helpen. Scheepstimmerlieden, onder wie Barend Schouten, kunnen zich ongetwijfeld nuttig maken. Ze krijgen de tijd om iets te bewerkstelligen. En ook het geduld van de Faeroërse bevolking wordt op de proef gesteld want het duurt tot 8 juni 1743 voordat het Hollandse schip Mercurius in Tórshavn aankomt om de mannen op te halen. Eindelijk kunnen zij naar de Republiek om vandaar nog verder te reizen naar huis. Maar het verblijf is een enkeling zo goed bevallen dat hij achterblijft. Chirurgijn Joseph Gervording vestigt zich er en trouwt met Marianna.

Nalatenschap Barend Schouten

Sommige scheepslui laten iets achter. Een vrouw uit Lamba die een tweeling krijgt van een bemanningslid komt samen met haar kinderen om in een lawine in Klaksvík, op een van de noordelijkste eilanden van de Faeroër. De geboortegolf in 1743 is hoger dan in andere jaren wat er op wijst dat er mogelijk nog andere kinderen voortkwamen uit een relatie van Faeroërse vrouwen en bemanningsleden van de Westerbeek.

Timmerman Barend Schouten is blijkbaar niet alleen actief geweest met klussen want Elisabeth Andersdotter van het eiland Vágur krijgt een dochter van hem: Sunneva Berentsdatter. Barend keert zelf terug naar de Republiek, mogelijk al in 1742. Sunneva zorgt ervoor dat er nog steeds Neerlands bloed door Faeroërse aderen stroomt.
Tot op de dag van vandaag wonen er nakomelingen van Barend op de eilanden. Dankzij genealogisch onderzoek kwam er in 2015 zelfs een hereniging tot stand met Nederlandse familie. Reden te meer om de band tussen beide landen te benadrukken. Dat is gebeurd doordat er postzegels van de Westerbeek zijn gedrukt. Faeroërse postzegels. Gedrukt bij Joh. Enschedé Stamps in Haarlem en gepresenteerd in het Maritiem Museum in Rotterdam op 19 februari 2016. De eerste exemplaren werden gepresenteerd aan directe nazaten van Barend Schouten, uit beide landen.

Wat bleef er van de Westerbeek zelf over? Weinig. Een bord met het monogram en een doos; beide afgebeeld op de postzegels. Van de kostbare scheepslading is alleen nog een beetje peper over.

Westerbeek postzegel

Ontwerp postzegelvel Westerbeek, Faeroër 2016.

Dit artikel is een bewerking van een uitvoeriger artikel in Filatelie, Nederlands oudste, grootste, dikste, kleurigste en voordeligste postzegelblad.

Leon Mijderwijk

Leon Mijderwijk (1975) studeerde voor Leraar Geschiedenis 2e graads aan de HU en deeltijd Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Zijn aandacht gaat uit naar de vroege middeleeuwen, in het bijzonder van Engeland. Hij schreef artikelen en recensies voor Westerheem, Archeologie Magazine, So British & Irish, Muntkoerier en Filatelie. Leon is redactiemedewerker van het Detectormagazine en Historiën-redacteur. Hij onderhoudt contact met diverse uitgeverijen, archeologen en historici.

More Posts

Schrijf je in voor TOEN!