• Wie zijn wij
  • Schrijf zelf geschiedenis!
  • copyright en disclaimer
Historiën
Hier wordt geschiedenis geschreven
  • Home
  • Artikelen
  • Column
  • Personen
  • Oorlogen
  • Recensies
  • Videre
Blader: Home / Zabern affaire

Zabern affaire

Door Sander Schipper op 23 april 2009

In 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, laait de spanning tussen het Duitse leger en de Duitse politiek op. Aanleiding is een veechtpartij in het stadje Zabern in de Elzas.Inleiding

‘Het incident van Zabern, dat zijn ontstaan dankte aan een niet overdacht woord van een piepjong luitenantje, nog niet droog achter de ooren, groeit langzamerhand aan tot een ernstige politieke aangelegenheid, tot een Duitsch schandaal. En dat heeft in de eerste plaats de militaire overheid op haar geweten.’ 
Bovenstaand citaat vormt de aanvang van een uitgebreid (en buitengewoon cynisch) artikel in het Algemeen Handelsblad van 1 december 1913 over een reeks incidenten in de Elzas, in het jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het decor van dit schandaal werd gevormd door het garnizoensstadje Zabern, dat rond 1913 zo’n 8.000 inwoners telde. Het was een ‘piepjong luitenantje’ van het hier gelegerde Bataillonen des Infanterieregiments Nr. 99, die samen met de garnizoenscommandant voor de nodige commotie zorgde. Gevolg was dat er enorme spanningen ontstonden tussen de militairen en de inwoners van het stadje, die werden gesteund door het civiele bestuur.

Sinds 1871, na de Frans-Duitse oorlog, waren Elzas en Lotharingen door Duitsland geannexeerd. Het Duitse leger was sindsdien dominant aanwezig als een soort bezettingsmacht. Daarnaast kwam er een, op Pruissische leest geschoeid, civiel bestuur. Al na enige tijd bleek, dat de legerleiding en de bureaucratie Elzas-Lotharingen op totaal verschillende wijzen wilden besturen. Deze situatie leidde onherroepelijk tot spanningen en in het gebied kwamen dan ook wel vaker conflicten voor. De incidenten in Zabern zouden echter het lokale niveau ontstijgen. De kwestie groeide inderdaad uit tot een Duits schandaal, zoals de correspondent van het Algemeen Handelsblad reeds had voorspeld.

Aan de hand van de Zabern-affaire zal ik de positie van het leger in het wilhelminische rijk vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onderzoeken. Het schandaal ontstond immers in oktober 1913 en de naweeën sleepten zich voort tot in mei 1914. Nog interessanter is, dat deze kwestie de positie van het leger op verschillende wijzen heeft beïnvloed. Om de situatie in dit garnizoensstadje te kunnen begrijpen, moet er echter eerst gekeken worden naar de annexatie en de staatsinrichting van Elzas-Lotharingen, alsmede naar de positie van het leger voor het uitbreken van de affaire. De vragen die ik hier dan ook zal proberen te beantwoorden, luidden als volgt: Wat was de positie van het leger in het wilhelminische rijk? en Hoe beïnvloedde de Zabern-affaire deze positie?

1.Van departement tot Rijksland – Oorlogsdoel: Elzas-Lotharingen
Voor de totstandkoming van het Duitse keizerrijk waren drie oorlogen nodig. Nadat eerst Denemarken en Oostenrijk waren uitgeschakeld, moest er nog worden afgerekend met de Franse erfvijand. Dit land had zich immers altijd fel verzet tegen een Duitse eenwording. Tevens diende de vernedering van de napoleontische veroveringsoorlogen te worden uitgewist. De bij de Duitse bevolking volop aanwezige Fransenhaat werd door rijkskanselier Otto von Bismarck gebruikt als propagandamiddel.

In eerste instantie voerden de Duitsers een verdedigingsoorlog tegen de Franse agressie, hoewel de oorlog tegen Frankrijk eigenlijk door Bismarck was uitgelokt. Al snel trokken de Duitsers echter het initiatief naar zich toe en begonnen zij aan een opmars in Frankrijk. Het Duitse aanvalsplan berustte op een snelle ‘Umfassungs- und Entscheidungschlacht’. Ondanks de Duitse militaire successen duurde de geplande, korte campagne veel langer dan verwacht. Volgens Stig Förster kwam dit voornamelijk doordat zowel de politieke en militaire leiding als de chauvinistische publieke opinie Elzas-Lotharingen opeisten. De Fransen streden met alle mogelijke middelen voor het behoud van hun territorium en zo groeide het conflict uit tot een National-krieg, een nationalistische volksoorlog.

Over de voortgang van de oorlog ontstond onenigheid tussen de legerleiding, met aan het hoofd stafchef Helmuth von Moltke, en de rijkskanselier Otto von Bismarck. Het conflict met Frankrijk had volgens de stafchef niks meer met diplomatiek te maken, het was puur een strijd tussen twee naties. Moltke eistte volledige controle over de militaire operaties totdat Frankrijk door middel van een ‘Exterminationskrieg’ totaal was vernietigd. Alleen dan wilde hij de macht overdragen aan Bismarck. De kanselier was echter vastbesloten om deze eisen te weerstaan. Hij wilde de vijandelijkheden zo snel mogelijk beëindigen, omdat hij een interventie van de andere grootmachten vreesde, als de oorlog nog langer voort zou duren.

De Pruisische koning Wilhelm I, moest uitsluitsel geven. Mede met behulp van de door hem gemobilseerde pers wist Bismarck de koning uiteindelijk te overreden. Het conflict tussen Bismarck en Moltke, dat wordt gezien als de eerste openbaring van het dualisme tussen civiel en militair bestuur, werd hierdoor in het voordeel van de kanselier beslist. Bismarck wist Frankrijk door een snelle militaire actie tegen Parijs op de knieën te krijgen. Ook voerde hij de onderhandelingen met de Fransen zonder overleg met de legerleiding. Parijs kreeg een harde vrede voorgeschoteld. Door de annexatie van Elzas-Lotharingen, de stattionering van een tijdelijk bezettingsleger en hoge herstelbetalingen, werd getracht dit land voor langere tijd uit te schakelen.

Mocht Frankrijk desondanks toch haar gram komen halen, dan konden de geannexeerde gebieden dienen als bufferzone. Onder de Duitse bevolking bestond er zowel bij rechts als bij links grote consensus over de annexatie. De publieke opinie zag de aansluiting van Elzas-Lotharingen als een vervolmaking van de rijkseenheid. Het gebied werd het symbool van de succesvol afgesloten oorlog tegen de Franse erfvijand. Desalniettemin zou de annexatie een zware hypotheek leggen op de toekomstige Frans-Duitse betrekkingen.

2.Van departement tot Rijksland – Burgers en bestuur
Van 1871 tot 1879 werden Elzas en Lotharingen bestuurd door Oberpräsidenten. De beide regio’s werden geen nieuwe deelstaat, maar omgevormd tot Reichsland. Elzas-Lotharingen werd hierdoor gedegradeerd tot een soort kolonie van het Duitse keizerrijk. Het overgrote deel van de lokale bevolking keerde zich, ondanks de vele culturele en linguïstische overeenkomsten, tegen de nieuwe machthebbers. Het Duitse bestuurd, teleurgesteld over deze houding, voerde daarom een vergaande politiek van ‘germanisering’ door.

Vanaf 1874 viel Elzas-Lotharingen onder de rijksgrondwet (Reichsverfassung). Vijf jaar later, in 1879, werd de functie van Oberpräsident vervangen door die van Statthalter. Deze nieuwe functionaris kwam aan het hoofd te staan van het civiele bestuur van het Reichsland. Sindsdien kende het Rijksland, althans in theorie, een zelfstandig bestuur. In praktijk bleven de bestuurders in Berlijn echter de lakens uitdelen. Zo was de stadhouder rechtstreeks verantwoording schuldig aan de keizer en kende Elzas-Lotharingen geen eigen (federale) grondwet. Ook werd het Rijksland niet als een gelijkberechtigde, en in landszaken autonome, deelstaat beschouwd.

Na 1890 kwam er langzamerhand een stroming op binnen de politiek en het civiele bestuur, die de interne en externe situatie van het Rijksland wilde normaliseren. Hoewel de hogere bestuursfuncties over het algemeen in handen bleven van Rijksduitsers, werden er sindsdien bijvoorbeeld wel Elzassers tot burgemeester benoemd. Ook werden de restricties op de vrijheid van vereniging en pers verlicht. Deze geleidelijke koerswijziging van een repressief beleid naar een realpolitik wierp na enige tijd haar vruchten af. Vanaf 1900 was er sprake van een kentering in de houding van de lokale bevolking, die werd gevolgd door een geleidelijke toenadering. Desondanks bleef het grootste probleem onopgelost: de bevolking van het Rijksland wilde niet langer tweederangs Duitsers blijven. Zij wilden een eigen grondwet en eisten voor Elzas-Lotharingen de status van deelstaat op. De bestuurders in Berlijn achtten dit vooralsnog te gevaarlijk en door middel van een ‘Stillhaltepolitik’ probeerden zij de eisen te laten doodbloeden.

Onder leiding van stadhouder Graf von Wedel ging het civiele bestuur zich zelfs inzetten voor een grondwet voor het Reichsland. Wedel vond in rijkskanselier Bethmann Hollweg een medestander voor deze Verfassungspolitik. Niet iedereen was overigens gelukkig met de plannen die Wedel en Bethmann nastreefden. De weerstand kwam met name uit de hoek van de invloedrijke Pruisische conservatieven. Zij waren geobsedeerd door het feit, dat de Franse Revolutie ook in Elzas-Lotharingen had plaatsgevonden. Alleen door het Rijksland met harde hand te besturen, kon naar hun mening het overslaan van de republikeins-democratische tradities naar de rest van Duitsland worden voorkomen. Daarnaast vreesden deze conservatieven, dat een sterk Elzas-Lotharingen de positie van de liberalere Zuid-Duitse staten zou versterken ten koste van Pruisen.

Desondanks ontstond er in de Rijksdag een enorme meerderheid voor de hervormingsvoorstellen, die dan ook eind mei 1911 werden aangenomen. De conservatieven stemden uiteraard tegen. Elzas-Lotharingen kreeg hierdoor eindelijk een eigen grondwet en een eigen parlement, dat beschikte over wetgevende bevoegdheden. Deze Landtag bestond uit een eerste en een tweede kamer, waarvan de laatstgenoemde door middel van algemeen kiesrecht werd gekozen.

De zelfstandigheid die Elzas-Lotharingen hiermee verworven leek te hebben was grotendeels schijn. De keizer hield bijvoorbeeld een enorme vinger in de pap. Zo was de stadhouder rechtstreeks verantwoording aan hem schuldig en had de monarch zoveel invloed op de eerste kamer van de Landtag, dat hij de gehele besluitvorming kon blokkeren. Daarnaast bleef ook de dreiging van een eenvoudige herroeping van de grondwet bestaan. De hevormingen maakten van het Rijksland nog altijd geen volwaardige deelstaat, waardoor de ‘Zweitranigkeit’ bleef bestaan. De grondwet, die wel degelijk een zekere politieke speelruimte creëerde, was volgens Hans-Ulrich Wehler en Thomas Nipperdey zo’n 10 tot 15 jaar te laat gekomen. Het psychologische effect van de constitutionele hervormingen op de bevolking was nu nihil. Elzas-Lotharingen was slechts opgewaardeerd van een kolonie tot een soort sattelietstaat.

 

Desalniettemin leek de bevolking te berusten in haar lot. De laatste belichaming van de protestbeweging, de Nationalbund, leed bij de eerste tweede kamerverkiezingen een vernietigende nederlaag. De partijen, die loyale samenwerking met het rijk voorstonden en tegelijkertijd de constitutionele politiek door liberalisering probeerden te beïnvloeden, behaalden de overwinning. De bevolking sprak op deze manier haar waardering uit over de verzoenende hervormingspolitiek van het civiele bestuur. De inspanningen van de bureaucraten werden echter weer grotendeels teniet gedaan door de houding van de, in het Rijksland gelegerde, militairen.

 

 

3.Van departement tot Rijksland – Als god in ‘Frankrijk’
Sinds de annexatie van het Reichsland was het leger in grote getale aanwezig gebleven. In tegenstelling tot de toenaderingspolitiek, die stadhouder Wedel voerde, waren de militairen voorstanders van een harde en vergaande germanisering. De legerleiding zag Elzas-Lotharingen namelijk als de zwakke schakel in de Duitse verdediging, mede vanwege de vijandige houding van de plaatselijke bevolking. Dat de militairen deze gevoelens met hun arrogante en anti-Franse opstelling alleen maar aanwakkerden, leken zij zelf niet te beseffen. In de verschillende houdingen ten opzichte van de bevolking door het civiele en het militaire bestuur lag de kern van de oplopende spanningen: wie van beide organen bezat de hoogste autoriteit?

De militairen stonden aan de basis van de Duitse eenheid, die immers was bewerkstelligd door drie oorlogen. Met name de overwinning op Frankrijk en de daaruit voortkomende Reichsgründung had het Pruisische leger veel prestige bezorgd, waardoor het een prominente positie kon gaan innemen in de Duitse maatschappij en politiek. In de nieuwe staat werd volgens Nipperdey ‘(…) das deutsche Heer ein auf das gesamte Reich ausgedehnte preußisches Heer.’ Het opperbevel ervan kwam in handen van de Pruisische koning Wilhelm I, die tevens keizer werd van het nieuwe rijk.

Het leger was het stokpaardje van de monarchen en daarom probeerden zij het te vrijwaren van alle politieke controle, waardoor

‘(…) das Militär in seinem Kern der parlamentarischen Mitbestimmung und Kontrolle entzogen war, und zum andern, daß es auch gegenüber der politischen Führung eine Sonderstellung hatte’,

aldus Nipperdey. Deze ‘Sonderstellung’ werd mogelijk gemaakt door het keizerlijk Kommandogewalt. Dit hield in, dat alle (hogere) bureaucraten en officieren voor het behoud van hun voorrechten en hun positie afhankelijk waren van de gunst van de keizer, die hierdoor een enorme invloed op het militaire en civiele bestuur kreeg. ‘Akte der Kommandogewalt’ waren uiteraard niet aan enige controle onderworpen en ook de grenzen van deze keizerlijke bevoegdheid waren niet duidelijk aangegeven.
Met name dit Kommandogewalt en het opperbevel van het leger maakten van de keizer de machtigste persoon in Duitsland. Rondom de monarch onstond hierdoor een kring van hovelingen en adviseurs, die invloed probeerden uit te oefenen op zijn beslissingen. Vooral de entourage van de geesteszieke en militaristische Wilhelm II, die volgens Nipperdey bestond uit ‘(…) nichts einmal die wirklich klugen und bedeutenden Militärs’, was hierin bijzonder succesvol. De kleinzoon van Wilhelm I werd geheel afhankelijk van zijn camarilla, die zijn verachting voor de burgerlijke bestuurders en de Rijksdag nog eens versterkten. De politiek moest volgens deze adviseurs geheel in dienst staan van de militairen en niet andersom. Wilhelm II was hierdoor geneigd het standpunt van het militaire bestuur automatisch te geloven, waardoor volgens Nipperdey ‘(…) die Nachfolger Bismarcks sich dem Monarchen gegenüber in einer wesentlich schwächeren Position fanden.’
Ondanks de regelmatig voorkomende onderlinge conflicten tussen de militaire en de civiele leiding, hadden zij echter één gezamenlijke vijand: de Rijksdag. Ondanks al zijn zwakheden (geen ministeriële verantwoordelijkheid en geen wetgevende bevoegdheden) beschikte de Duitse tweede kamer wel over het recht om de begroting af te keuren. Regering en legerleiding, die neerkeken op de in hun ogen bemoeizuchtige Rijksdag, deden er dan ook alles aan om dit zogenaamde budgetrecht in te perken. In 1874 wisten zij te bereiken, dat de Rijksdag de begroting voortaan voor zeven jaar tegelijk diende goed te keuren (het Septenrat). In geval van nood kon het leger met toestemming van de keizer altijd nog de gehele uitvoerende macht naar zich toetrekken, om zo de bestaande sociale en politieke orde te verdedigen. Minder helder was de regelgeving ten aanzien van militair ingrijpen bij lokale onlusten en demonstraties. Toch was het vrijwel voor een ieder duidelijk dat de militairen in zo’n geval ook ingezet zouden worden. Het leger was een ‘innenpolitischen Drohpotential’; een praetoriaanse garde.
Ook de in Elzas-Lotharingen gelegerde officieren waren zich bewust van hun gepriviligeerde positie. De meeste van deze militairen voelden zich ver verheven boven de civiele bestuurders en al helemaal boven de autochtone bevolking. Zoals uit de onderstaande affaire zal blijken voelden zij zich als goden in (dit voormalige deel van) Frankrijk.
 
4.In de ban van Zabern – “Immer feste druff”
Op 28 oktober 1913 instrueerde het ‘piepjonge luitenantje’, Günter Freiherr von Forstner, zijn recruten het gebruik van de bajonet. Hij zou hierbij de volgende uitspraak hebben gedaan:

“Wenn ihr dabei einen solchen Wackes über den Haufen stecht, schadet das auch nichts”. 

Daarnaast zou hij een premie hebben uitgeloofd voor elke ‘Wackes’ die zijn soldaten opbrachten. ‘Wackes’ was een scheldwoord, dat door de Elzassers als hoogst beledigend werd ervaren. Een aantal recruten, zelf akomstig uit het Rijksland, nam aanstoot aan Forstners uitspraken, en zij speelden het voorval door aan de pers. Twee plaatselijke, fransgezinde kranten, de Zabern Anzeigner en de Elzasser, publiceerden het voorval en eisten excuses van de garnizoenscommandant, kolonel Ernest von Reuter. Hij vond de, naar zijn mening verkeerd uitgelegde, woorden van de luitenant echter geen excuus waard. Forstner zou alleen de onruststokers hebben bedoeld en op de mogelijkheden van zelfverdediging hebben gewezen. Reuter werd hierin gesteund door “(…) das Straßburger Generalkommando des XV. Armeekorps unter General Berthold v. Deimling (…)’, aldus Wehler.

Het incident, waar de pers in Parijs en Berlijn inmiddels ook aandacht aan had geschonken, had een enorme weerslag op de plaatselijke bevolking, die de arrogante houding van de militairen meer dan beu was. Er volgden demonstraties en tijdens zijn patrouilles viel Forstner de hoon van de bevolking ten deel. Kolonel Reuter reageerde hierop door de wacht te laten verdubbelen en de bureaucratie te verzoeken om extra politie assistentie. Tevens deelde hij aan Kreisdirektor Mahl mee, dat, mochten de protesten aanhouden, hij niet zou aarzelen de staat van beleg af te kondigen. De militair Reuter en de ambtenaar Mahl poogden gezamelijk tot een oplossing te komen, maar het enige resultaat was hun onderlinge onenigheid over wie van beiden de hoogste autoriteit bezat.

Inmiddels had luitenant Forstner niet stilgezeten. Hij was betrokken geraakt bij een ander incident van ernstiger aard dan het ‘Wackes’-schandaal: ten overstaande van recruten had hij de Franse vlag beledigd. Ook verwonde hij kort daarop een burger, die hem zou hebben uitgelachen, toen deze zich verzette tegen zijn arrestatie. Deze voorvallen, die weer veel aandacht kregen in de binnen- en buitenlandse media, verergerden ook het conflict tussen Mahl en Reuter.

Mahl werd gesteund door stadhouder Wedel, die op zijn beurt de voorvallen raporteerde aan zowel de keizer als de rijkskanselier. De garnizoenscommandant kon rekenen op de steun van generaal Deimling, die zijn ondergeschikte volgens Kitchen aanspoorde om harder op te treden. De kolonel, gesterkt door de woorden van zijn superieur, ging promt tot actie over. Het Algemeen Handelsblad meldde, ‘Tromgeroffel en scherpe patronen, dreigen met schieten en arrestaties’: de inwoners van Zabern waren vanaf 28 november min of meer vogelvrij verklaard. Reuter hoopte dat “Mars die Stunde regiere”, waardoor hij eindelijk af zou kunnen rekenen met de naar zijn mening provocerende houding van de bevolking. Er volgden verschillende arrestatiegolven. De willekeurig gearresteerde burgers werden steeds enige tijd door het leger vastgehouden, maar daarna zonder uitzondering weer vrijgesproken door de civiele rechtbank, omdat er geen enkele grond was voor vervolging.

Een paar dagen na het begin van deze arrestaties, op 30 november, stuurde Wedel een uitgebreid rapport over de gebeurtenissen in Zabern naar de keizer, waarin hij de legitimiteit van Reuters acties ernstig in twijfel trok. Deimling had zijn conclusies echter een dag eerder verstuurd. Hoewel Wedel gesteund werd door kanselier Bethmann Hollweg, voelde Wilhelm II zich vanzelfsprekend meer aangetrokken tot de visie van het leger, waarbij de pers en de autochtone bevolking als schuldigen werden aangewezen. De keizer liet Deimling weten hem verantwoordelijk te houden voor de rust en orde in het Reichsland. Wilhelm II had hierdoor indirect duidelijk gemaakt, dat de hoogste autoriteit in Elzas-Lotharingen bij het militaire bestuur lag. De kroonprins, die net als zijn vader een zwak had voor het leger, deed er nog een schepje bovenop. Hij stuurde een kort maar krachtig telegram naar kolonel Reuter: “Immer feste druff” (vrij vertaald: sla er op los)!
 
{mospagebreak}
Zabern in de Rijksdag
Drie dagen na afloop van het reces, toevalligerwijs dezelfde dag als waarop Reuter het heft in eigen hand zou nemen, werden in de Rijksdag de eerste vragen gesteld over de affaire. Met name de afgevaardigen uit Elzas-Lotharingen wilden van de nieuwe minister van Oorlog Falkenhayn weten, wat hij deed om de bevolking van het Rijksland te beschermen tegen de provocaties van de militairen. Volgens de minister trof het leger echter geen enkele blaam en waren de woorden van luitenant Forstner verkeerd uitgelegd. De schuld lag bij de recruten, die het voorval hadden doorgespeeld aan de pers. Kortom hij gaf het officiële stanpunt van het leger weer.

De nieuwe en ernstigere ontwikkelingen in Zabern leidden enkele dagen later tot een verhit debat in de Rijksdag, waarbij ook Bethmann Hollweg zich moest komen verantwoorden. Het leger werd door verschillende politieke partijen beschuldigd van het overtreden van de wet en de vestiging van een militaire dictatuur in Zabern. Tijdens het debat werd beide bewindslieden het vuur aan de schenen gelegd. Volgens het Algemeen Handelsblad was Bethmann ‘(…) als staatsman nooit zoo zwak, zoo hulpeloos en zoo kortzichtig geweest (…)’.

Het zwakke optreden van de kanselier valt naar mijn mening mede te verklaren, doordat hij onder druk van het keizerlijk Kommandogewalt het standpunt van het leger had moeten verdedigen, terwijl hij eigenlijk Wedels visie steunde. Ook het optreden van Falkenhayn was niet erg gelukkig. Hij legde de schuld weer bij de pers en ‘(…) verschanzte sich hinter Schweigen gebietenden Vorschriften, der Barriere der königlich-kaiserlichen Kommandogewalt’, aldus Wehler.

Het overgrote deel van de Rijksdagleden nam geen genoegen met de verklaringen van beide bewindslieden. De vrijzinnigen dienden een motie van wantrouwen in, die werd aangenomen door een viervijfde meerderheid. Deze zogenaamde Zabern-coalitie bestond uit de nationaal-liberalen, het Zentrum, de SPD en natuurlijk de vrijzinnigen zelf. Alleen de conservatieve partijen steunden de motie niet.

In theorie hoefde de regering zich van dit zogenaamde Mißtrauensvotum, de tweede in de parlementaire geschiedenis van Duitsland, weinig aan te trekken. In praktijk was het echter wel een duidelijk signaal, dat er maatregelen genomen dienden te worden. ‘The matter had been kept on the boil and the longer the Zabern affair was discussed the more the position of the military party was eroded’, aldus Kitchen. Er vond spoedoverleg plaats tussen Wilhelm II, Wedel en Deimling. Op advies van de laatste werd door de keizer (en zijn entourage) besloten om het 99ste regiment tijdelijk aan manoeuvres te laten deelnemen, elders in het Reichsland. Hiermee hoopte de generaal niet alleen verdere problemen te voorkomen, ook zou het stadje zo herinnerd worden aan het economisch belang van de militaire aanwezigheid. Verder werd besloten de betrokken officieren en recruten voor de krijgsraad te dagen.

De SPD was echter ontevreden met de uitkomst van het topoverleg, omdat de inwoners van Zabern hierdoor ook nog eens economisch getroffen zouden worden. Ook de relatief zware disciplinaire straffen, die de recruten door de krijgsraad kregen opgelegd, schoten de socialisten in het verkeerde keelgat. Zij eisten het aftreden van Bethmann Hollweg, die op zijn beurt echter niet aan opstappen dacht. Door de rijksbegroting te verwerpen zouden de kanselier en zijn kabinet alsnog gedwongen worden ontslag te nemen. Met dit doel voor ogen probeerde de SPD de Zabern-coalitie bijeen te houden. De coalitiegenoten, over het algemeen zeer tevreden met het behaalde resultaat, weigerden hier echter hun medewerking aan te verlenen, waardoor de socialisten alleen kwamen te staan. In conservatieve kringen groeide ook de vrees dat de SPD het leger wilde democratiseren. De Rijksdag liet hier een uitgelezen kans laten liggen om meer macht naar zich toe te trekken.

5.De gevolgen van Zabern – Het leger verzwakt en gesterkt
Halverwege december en begin januari vonden de processen plaats tegen de betrokken officieren. Forstner, die in eerste instantie was veroordeeld tot de minimum gevangenisstraf van 43 dagen, werd in hoger beroep echter vrijgesproken. De rechtszaak tegen Reuter werd een waar mediaspectakel, doordat ‘(…) bijna alle beschikbare plaatsen gegeven waren aan journalisten uit binnen- en buitenland (…)’, aldus het Algemeen Handelsblad. De kolonel werd vrijgesproken, omdat hij zich volgens de krijgsraad terecht kon beroepen op een kabinetsbesluit uit 1820 (!), waarin was bepaald, dat ingrijpen van het leger ook zonder overleg met het civiele bestuur gewettigd was. Na de uitspraak kreeg Reuter tienduizenden felicitatiekaarten en werd hij bovendien door de keizer geëerd met zeer hoge onderscheiding.

Het teruggrijpen op een besluit uit 1820 was niet onomstreden. Volgens de minister van Justitie was deze bepaling al lang niet meer rechtskrachtig. Om toekomstige juridische moeilijkheden te voorkomen vaardigden de keizer en zijn camarilla daarom het nieuwe ‘Dienstvorschrift für das Heer vom 19. März 1914′ uit. Het militaire ingrijpen bij lokale conflicten werd bij wet geregeld. De andere kant van de medaille was echter dat de macht van het leger nu ook begrensd was. Het leger zou niet meer voor eigen rechter kunnen spelen, zoals in Zabern het geval was geweest.

De keizer en zijn adviseurs steunden ook het voorstel van het militaire bestuur om de recruten uit Elzas-Lotharingen niet meer in het Reichsland te laten dienen. Deze soldaten moesten voortaan elders in het keizerrijk hun dienstplicht vervullen. De incidenten in Zabern hadden volgens de legerleiding uitgewezen, dat deze soldaten te gevoelig waren voor de fransgezinde pers in het gebied. Daarnaast hadden de bewoners van het Rijksland vaak ook familiebetrekingen in Frankrijk en dit maakte hen in de ogen van de militaire leiding nog verdachter. De grens tussen Frankrijk en Elzas-Lotharingen werd vanaf dat moment verdedigd door ‘betrouwbare’ rijksduitsers.

Deze maatregel, die geheel in strijd was met de verzoeningspolitiek van de bureaucratie, betekende de genadeklap voor Wedel. Zijn eigen positie en die van zijn regering waren reeds ernstig verzwakt. De Landtag van Elzas-Lotharingen was namelijk van mening, dat de stadhouder niet standvastig genoeg was geweest tijdens de conferentie in Donaueschingen. Verder werd het civiele bestuur verweten te weinig maatregelen te hebben genomen, om excessen als Zabern voor de toekomst uit te sluiten. Wedel werd opvolgd door de Pruisische aartsconservatief, Johann von Dallwitz, die de verzoenende hervormingspolitiek van zijn voorganger verafschuwde. Inmiddels was ook het 99ste regiment teruggekeerd in Zabern. Overigens zonder Forstner en Reuter, die kort daarvoor waren overgeplaatst.

6.De gevolgen van Zabern – Reacties in Duitsland en Frankrijk
Onder de Duitse bevolking waren de meningen verdeeld. De opvattingen van de conservatieven en de sociaal-democraten waren algemeen bekend. Toch behoorden niet alle Duitsers tot deze twee uitersten en hun visie op de Zabern-affaire is moeilijk na te gaan. Sommige Duitsers zagen door de Zabern-affaire in dat het leger een verouderde en onrealistische ideologie nastreefde, die niet correspondeerde met de realiteit, aldus Martin Kitchen. Desalniettemin bezat het leger als grondlegger van de Duitse eenheidsstaat nog altijd een enorm prestige. In 1913 telden de zogenaamde Kriegsvereine, ondergebracht in een overkoepelende organisatie, maar liefst 2,8 miljoen leden en was het veruit de grootste massaorganisatie die Duitsland kende. Daarnaast telde het land in 1914 maar liefst 120.000 reserveofficieren. Schoenbaum zit er volgens mij ook niet ver naast, als hij beweert dat ‘(…) the vast majority of prewar Germans was willing to accept, and even defend, the status quo.’

De Zabern-affaire versterkte bij de bevolking van het Reichsland het gevoel tweederangs burger te zijn. Ook het wantrouwen tegen de ambtenaren en militairen, allen immers rijksduitsers, bleef bestaan. Hoewel het schandaal zorgde voor een grote terugslag, schreed de assimilatie volgens Nipperdey geleidelijk aan voort. Het verzet tegen de annexatie had plaats gemaakt voor het streven naar federale autonomie: ‘(…) es gab ein gewisses zügegehörigkeitsgefühl zu Deutschland (…)’

In Frankrijk had het schandaal in Elzas-Lotharingen het wantrouwen ten opzichte van Duitsland nog eens vergroot. Hoewel de Franse regering haar ambassadeur in Berlijn een officieel protest liet indienden, wilde zij een conflict met het keizerrijk over Zabern koste wat kost vermijden. Het Franse leger, dat zich midden in een hervormingsoperatie bevond, zou niet in staat zijn om bij een eventuele escalatie het land te verdedigigen. De Franse pers kreeg daarom ook het verzoek om zo weinig mogelijk aandacht te schenken aan de Zabern-affaire.

7. Epiloog
Wehler heeft naar mijn mening gelijk als hij beweert dat de Zabern-affaire een bewijs was voor ‘(…) einer Strukturkrise des wilhelminischen Kaiserreichs (…)’. De escalatie van de incidenten tussen officieren en inwoners in het garnizoensstadje, brachten ongewild de interne structurele problemen van de Duitse samenleving aan het licht. De onderlinge competitie tussen het militaire en het civiele bestuur werd hierdoor pijnlijk duidelijk. Daarnaast werden de mogelijkheden van een eensgezinde Rijksdag zichtbaar, hoewel de meeste politieke partijen daar nog voor terugschrokken. Hierdoor ging voor de Duitse tweede kamer een kans verloren om meer macht naar zich toe te trekken. Pas door de ontwrichtende en vernietigende kracht van de Eerste Wereldoorlog werd het mogelijk om de Duitse maatschappij structureel te veranderen.

Hoewel het zeer omstreden is, kwam het leger naar mijn mening toch als morele overwinnaar uit de strijd. Zo werden de betrokken officieren vrijgesproken. Verder beëindigde de komst van Dallwitz de verzoenende hervormingspolitiek van de bureaucratie. Tenslotte leek de geprivilegieerde positie van het leger ook voor de toekomst veiliggesteld. Hoewel de positie van Wilhelm II, door het mislukken van de Weltpolitik en schandalen als de Daily Telegraph-affaire ernstig werd verzwakt, bleef het Kommandogewalt behouden. De keizerlijke entourage, die deze monarchale bevoegheid in praktijk naar zich toe getrokken had, bleef de militairen voortrekken, waardoor het leger haar maatschappelijke positie kon behouden. Hoewel veel burgers niet gecharmeerd waren van het militaire optreden in Zabern, bleef de steun voor het leger onder de bevolking groot. De grootste beperking voor de militairen was, dat de bevoegheden van het leger nu duidelijk waren omschreven, waardoor de handelingsvrijheid werd beperkt.

Het lot van de hoofdrolspelers liep sterk uiteen. Het teleurstellende verloop van de oorlog betekende zowel voor Falkenhayn als voor Bethmann Hollweg het einde van hun politieke carriëre. Reuter had meer geluk, hij bereikte nog de rang van luitenant-generaal. Deimling werd tijdens de Weimar Republiek, een van de steunpilaren van de Reichsbanner, ‘(…) the para-military republican guard organised to resist similar organisations on the far left and right.’ Luitenant Forstner trok aan het kortste eind, hij sneuvelde in de zomer van 1915 ergens in de Karpaten.

Meer artikelen door Sander Schipper:
  • De Nacht van de Lange Messen
  • Deel dit:
  • Print
  • Email

Gepost in 1900 tot 1950: tijd van wereldoorlogen, Oorlogen, Voorpagina | Trefwoorden Duitsland, Oorlogen

Sander Schipper

Vorige Volgende

Vind ons ook hier:

RSSTwitterFacebook

Historiën Tweets

  • Andere Tijden over val van kabinet Lubbers II te zien op bit.ly/Lcfjvp #geschiedenis #Historien_nl 5 hours ago
  • Fossiel van gigantische schildpad ontdekt - Scientias.nl scientias.nl/fossiel-van-gi… Historien_nl #geschiedenis 3 days ago
  • Paleontologen ontdekken nieuwe dinosauriërsoort rtl.nl/components/act… #geschiedenis #Historien 3 days ago
  • Uitzending Andere Tijden uit 2006 over Hannie Schaft bit.ly/KHlJ8M Zondag meer verzetsvrouwen in Andere Tijden bit.ly/KHlryT 4 days ago

2010 Archeologie België Berlijn Berlijnse Muur Canon China Column communisme DDR Documentaire Duitsland Egypte Europa Frankrijk geschiedenis magazine Groene Hart Historiografie interview Italië Kastelen Kunstgeschiedenis Maritieme geschiedenis Middeleeuwen Midden-Oosten museum Nationaal Historisch Museum Nederland Nederlands-Indie Nieuws oorlog Oorlogen Oorlogen Religie Rusland tentoonstelling terrorisme tijdschrift Verenigde Staten Verenigd Koninkrijk VOC voetbal wereldkampioenschap Zeehelden Zuid-Afrika

WP Cumulus Flash tag cloud by Roy Tanck requires Flash Player 9 or better.

Geschiedenis Poll

De canon moet worden afgeschaft!

Bekijk de resultaten

Loading ... Loading ...
  • Poll archief

Copyright © 2012 Historiën. Historien.nl is een product van Histocasa

Powered by WordPress, Hybrid, and Hybrid News.

loading Cancel
Post was not sent - check your email addresses!
Email check failed, please try again
Sorry, your blog cannot share posts by email.